zondag 20 maart 2011

Organisator Schoolschaakkampioenschap Ard Dekker: ‘Ik ben een resultaatschaker’

Organisator Schoolschaakkampioenschap Ard Dekker: ‘Ik ben een resultaatschaker’


Westland - Als ik aanbel bij Ard Dekker (Naaldwijk, 1955) zit de heer des huizes televisie te kijken. ‘Zat naar het nieuws te kijken,’ verontschuldigt hij zich even later. ‘Ging over de toestand in Libië met kolonel Khadaffi. Ik was effe benieuwd hoe zich dat ontwikkelt.’ Geen probleem natuurlijk. Het geeft meteen maar even aan dat Ard Dekker een man is met oog voor wat er om hem heen in de wereld gebeurt. Dat hij in meer dingen geïnteresseerd is dan in de schaaksport alleen. Al is die sport wel de reden van ons bezoek. Want, traditioneel vindt er aanstaande vrijdag middennin de krokusvakantie een schaaktoernooi voor scholieren plaats. En Dekker is al jarenlang verbonden aan dat toernooi als één van de organisatoren.

Traditie
‘Aanstaande vrijdag vindt alweer de 34ste editie plaats,’ vertelt Ard Dekker. Jeugdige schakers bevechten elkaar in gebouw De Kandelaar fanatiek “de stukken”, waarna de winnaar zich een heel jaar lang Naaldwijks Schoolschaakkampioen mag noemen. ‘De naam is een beetje verwarrend want de kampioen hoeft niet per definitie uit Naaldwijk te komen. Dat was vroeger wel het geval, maar sinds een aantal jaren staat het toernooi open voor alle scholieren tot en met 16 jaar die afkomstig zijn uit Westland, Midden Delfland of Hoek van Holland of daar op school zitten. We hebben de naam echter vanuit een soort traditie gehandhaafd.’ En Dekker kan het weten, want hij is inmiddels al bij de organisatie van een fors aantal edities betrokken geweest.

Euwe
Ard Dekker kreeg het schaken thuis met de paplepel naar binnen gegoten. ‘Mijn vader Bas, helaas overleden, werd in 1935 “gepakt” door de schaaksport. Dat kwam doordat de beroemde Nederlandse grootmeester Max Euwe dat jaar wereldkampioen werd. Zo’n prestatie heeft in iedere sport altijd een enorme impact, dus ook bij het schaken. Dat zorgt voor een grote toeloop. Vader heeft zijn passie voor het schaken later op al zijn kinderen overgebracht. Ik ben geboren in de Druivenstraat, als jongste van zes broers. Daar woonden we met z’n achten in een piepklein huisje, maar ik kan me niet herinneren dat er een schaakbord op tafel stond. Dat we gingen verhuizen naar een groter huis, weet ik nog goed trouwens. Dat was heel bijzonder. Het was op een dag dat ik op schoolreis naar de Efteling ging. Toen we vertrokken woonde ik nog in die Druivenstraat, maar toen we aan het einde van de dag terugkwamen moest ik ineens naar de andere kant van Naaldwijk lopen, naar ons nieuwe huis. Dat was toch een vreemde gewaarwording hoor.’

Schaakbord
Stond er toch zeker bij de Dekkers in dat nieuwe huis met veel meer ruimte wél een schaakbord speelklaar in iedere kamer? Ard nuanceert dat beeld meteen. ‘Nee hoor. Het is heus niet zo dat er bij ons thuis altijd werd geschaakt of over de sport gesproken, al denken mensen altijd van wel. Is ook wel logisch. Naast mijzelf en mijn vader speelden al mijn vijf oudere broers schaak. Ze hebben ook allemaal in het eerste team gespeeld, maar echt waar, thuis schaakten we niet zoveel. Natuurlijk werd er de dag na een wedstrijd thuis aan tafel nog wel eens teruggekeken maar eigenlijk speelde ons schaakleven zich vooral op de vereniging af. Met een hele lichting schaaktalenten ging Dekker bij die vereniging, Schaakmat, op zijn twaalfde van de jeugd over naar de senioren. ‘Toevallig een hele groep jongens die bij mij in de klas zat op de toenmalige Rehobothschool in de Rembrandtstraat. De school van meester Koekkoek zeg maar. Onder hen ook mijn nog steeds clubgenoot Frans Vreugdenhil, die net als ik na al die jaren het schaken nog steeds niet kan laten. Dat we zo vroeg over gingen naar de senioren was wel bijzonder, want normaal ging je pas op je zestiende over. Ach, we waren bij toeval gewoon een bijzondere lichting. Het was echt niet zo dat ik reclame had gemaakt voor de schaaksport of zo. In het begin zaten Frans en ik nog in hetzelfde team, maar al snel ging ik naar het eerste. Frans bleef toen een tijdje in het tweede hangen maar dat kwam kennelijk omdat Frans een slow starter was. Hij is me later behoorlijk voorbijgestreefd, hoor.’

WSC
De vereniging, waar de heren Dekker en ook voornoemde Frans Vreugdenhil jarenlang hun partijtjes speelden (en deels nog spelen) is het Naaldwijkse Schaakmat, opgericht in 1953. Schaakmat is één van de vier regioclubs die Westland rijk is, naast Sio uit ’s-Gravenzande, Regina Pacis uit Honselersdijk en Lierse uit De Lier. Deze verenigingen hebben hun eigen verenigingsavonden waar zowel senioren als jeugdleden een interne competitie spelen. Externe competitiewedstrijden worden, met uitzondering van Lierse, al weer een groot aantal jaren gespeeld onder de vlag van WSC, de Westlandse Schaak Combinatie, tegenwoordig gesponsord door het bedrijf Fruit World uit Breda. Ard Dekker: ‘WSC is opgericht om jeugdig talent te bundelen en te behouden voor het Westland. Dat is goed gelukt en ook het niveau in Westland is hierdoor behoorlijk gestegen.’

Teamsport
Hoe beleeft Ard Dekker, in het dagelijks leven werkzaam als leidinggevende op de personeelsafdeling van het Ministerie van Defensie in Den Haag, het schaken? Het antwoord is verrassend: ‘Als een teamsport. Veel mensen zien schaken als een individuele sport, uiteindelijk is dat ook wel zo, maar ik zie het tóch als een teamsport. Onlangs speelde ik met WSC 2 in Delft en dan vind ik het teamresultaat belangrijker dan mijn individuele resultaat. Ik ben eigenlijk best wel een “resultaatschaker”. Daarom zit ik ook vaak op een hoger bord tegen een sterkere tegenstander, omdat ik behoorlijk tactisch kan schaken, eerder op remise kan spelen. Frans Vreugdenhil om die er nog maar weer een keer bij halen, is veel avontuurlijker. Dat is een aanvallende schaker. Die kan genieten van een mooie partij ook al heeft ie verloren. Ik heb het bij een verliespartij, ik druk het netjes uit,wat minder naar mijn zin.’

Schoolschaak- en Druivenschaaktoernooi
Maar het is niet alleen het zelf schaken wat Ard Dekker aan de sport bindt. Hij houdt er ook van dingen te organiseren. Zo is hij beretrots op het Naaldwijks Schoolschaak Kampioenschap dat hij mede mag organiseren. En verder op het Westlands Druivenschaak Toernooi, dat jaarlijks eind augustus, ook in gebouw De Kandelaar, wordt gehouden. Een eerbiedwaardig toernooi, niet weg te denken van de regionale schaakkalender waarvan de eerste editie plaatsvond in 1949. Sinds zes jaar is Ard Dekker voorzitter. In die rol fungeert hij als opvolger van vader Bas die deze rol van 1949 tot 1988 maar liefst veertig jaar vervulde. Dekker heeft een leuke anekdote over het Westlands Druiven Schaak Toernooi. ‘Bij het toernooi hebben we natuurlijk al sinds jaar en dag Westlandse druiven als prijs, maar sinds een paar jaar ook kleine potchrysantjes. Spelers worden in groepen van vier verdeeld en de nummer laatste van zo’n groep krijgt dan als troostprijs een potchrysantje. Hadden we twee spelers die geen eerste meer konden worden en die allebei vanwege dat chrysantje streden om de vierde plek. Nou dan krijg je een raar partijtje schaak hoor. Een andere deelnemer nam een jaar later een schoteltje mee terug naar De Kandelaar dat onder zijn potchrysant had gestaan. Eerlijke mensen die schakers, toch?’

Het NSK
Terug naar de actualiteit, het 34ste Naaldwijks Schoolschaak Kampioenschap (NSK) Aanstaande vrijdag 4 maart in gebouw De Kandelaar verwelkomt de organisatie 40 deelnemers. Een aantal dat Ard Dekker tot tevredenheid stemt. ‘De “gouden tijd” van meer dan honderd deelnemertjes ligt inmiddels ver achter ons en komt niet meer terug, maar met veertig enthousiaste schakertjes valt goed te leven.’ Ook over het ledenaantal van Schaakmat wil hij niet mopperen. ‘Nee hoor, we zijn tevreden, ‘t is goed te mannen zo. We houden het onder andere op peil door leuke, bijzondere toernooien te organiseren zoals een jaarlijks “generatiekloof toernooi” waarbij een jeugdschaker met een ouder familielid of een schakende buurman een team vormt. Zo’n evenement zorgt met regelmaat voor nieuwe aanwas, jeugd maar ook volwassenen.’ Heeft hij zelf nog een actieve inbreng gehad bij het stabiel houden of uitbreiden van het Westlandse schakers bestand? Hij glimlacht. ‘Ik heb een poging gedaan. Drie van mijn vier kinderen hebben redelijk intensief geschaakt, twee van mijn dochters zijn zelfs wel eens jeugdkampioen geweest, maar ze zijn tot nu toe geen van allen aan de sport blijven hangen. Hebben het te druk met andere hobby’s.’

Interesse
Mensen die interesse hebben gekregen in het schaken in clubverband in Westland/Hoek van Holland, kunnen contact opnemen met een van de Westlandse schaakverenigingen. Voor meer informatie kijkt u op: www.schaakmat.info, www.schaakverenigingsio.nl, www.lierseschaakvereniging.nl of http://home.kabelfoon.nl/~trompet/schaken. (Tekstbureau Westland - Cent Wageveld)

Ton Kolmeijer: 'Ik ben een heel gedisciplineerd persoon'

WOS Radio- en televisiemaker Ton Kolmeijer: ‘Ik ben een heel gedisciplineerd persoon’


Westland - Zondag 6 februari jl. was een gedenkwaardige dag in het leven van WOS coryfee Ton Kolmeijer (61). Zoals u vorige week uitgebreid hebt kunnen lezen in dit blad werd toen de 1250ste uitzending van zijn vermaarde zondagochtend programma “PlusRadio” uitgezonden. Naar aanleiding daarvan hadden wij een gesprek met de sympathieke radio- en televisiemaker.

Bonbons
De ontmoeting is hartelijk. Ton Kolmeijer is net klaar met een klusje voor WOS Radio. We ontmoeten hem in de historische druivenkwekerij ‘De Sonnehoeck’ te Kwintsheul vanwaar hij zojuist live was te horen op de zender met een korte reportage. Hij staat met een doosje bonbons in zijn handen. Nog een cadeautje vanwege zijn jubileumuitzending afgelopen week? ‘Nee hoor,’ lacht hij. ’Lionsclub De Glazen Stad was hier te gast en bereidde een Valentijnsactie voor. En je weet, een vliegende kraai vangt altijd wat.’ We gaan op zoek naar een rustig plekje in de historische woning waar we niet gestoord worden door kwebbelende Lions. Als we dat gevonden hebben, gaat hij eerst zijn onafscheidelijke zendapparatuur opbergen, waarmee hij contact kan opnemen met de thuisbasis van de WOS in ’s-Gravenzande. Bedoeld om live ergens verslag vandaan te doen. ‘Waar ook vandaan. Vanaf de top van Alpe D’Huez, vanuit Rome of van een boot in de haven van Maassluis. Maakt niet uit. In studiokwaliteit, glashelder, alsof ik gewoon in die studio zit.’ Trots vertelt hij dat er niet veel van dit soort apparatuur in gebruik is in Nederland. Dat hij een techniek freak is en er niet van houdt om op vakantie gaan. In plaats daarvan geeft hij zijn vakantiecentjes liever aan dit soort dingen uit. Ton Kolmeijer ten voeten uit. Een man met een missie. Met passie voor radio, televisie, techniek en muziek. Een monoloog.

Schiedam
‘Ik ben geboren en getogen in Schiedam. ‘Daar heb ik tot mijn 24ste, tot ik ging trouwen met mijn Ria, gewoond. Ik ben er één van zes. Ik heb twee broers en drie zussen. Mijn vader was werkzaam als technisch adviseur bij een bedrijf in Rotterdam. Dat deed in meet- en regeltechniek voor de voedingsmiddelenindustrie. Een heel veelzijdige man. Ik ben er heel dankbaar voor dat ik mijn vader en moeder lang bij me heb gehad. Mijn moeder is een maand geleden overleden. Mijn ouders hebben mij altijd gevolgd en gesteund. Fantastische mensen. De interesse voor techniek heb ik denk ik van vader. Op mijn beurt heb ik hem weer besmet met het film-, dia- en fotografievirus. Tot op hoge leeftijd hebben we samen veel filmpjes gemaakt in de privé sfeer en waren ook lid van een film- en geluidsjagersclub.

Bronchitis
In mijn jonge jaren heb ik een tijd veel last gehad van bronchitis. Zelfs kantje boord gelegen. Daardoor was ik thuis het zorgenkindje dat net met wat meer zorg werd omringd dan de andere kinderen uit het gezin. Van jongs af aan wilde ik televisiecameraman worden. Het is echter ietsjes anders gelopen. Ik ben na mijn middelbare schooltijd wel aan een opleiding begonnen maar daar voortijdig mee gestopt. Ik liep stage bij Pim Korver, sinds kort in Westland bekend als de maker van de Ping An documentaire. Daar deed ik ook reportagewerk voor het toenmalige NOS journaal. Enerverend, afwisselend werk. Je komt overal en nergens en moet op de gekste tijden werken. Maar, ik vertelde al dat ze thuis erg ‘zuinig’ op me waren en met name mijn vader kon er niet zo tegen dat ik op afwijkende werktijden thuiskwam. O,o wat was die bezorgd. Hij ging niet naar bed voordat zijn zoon weer veilig thuis was. Ook al werd het heel laat. Daarom ben ik toen een hele ander richting uit gegaan. Financiële administratie. Alsof het zo moest zijn heb ik daar later veel profijt van gehad toen mijn vrouw Ria getroffen werd door de ziekte MS. Ik was in de gelegenheid kantoor aan huis te houden en dat maakte het voor mij tegelijk mogelijk om mijn vrouw zoveel als mogelijk was te verzorgen.

Buitenlander
Toen ik in 1974 in Maasland ging wonen ben ik begonnen met de Bom, Bejaarden Omroep Maasland. Heb ik jaren gedaan. Vijf keer per week verzorgde ik elke ochtend middels cassettebandjes een programma voor de ouderen. Dat werd dan stipt om negen uur door een tijdklok gestart. Als geboren Schiedamme, was ik toch een soort van ‘buitenlander’ voor veel Westlanders en Midden Delflanders. Maar ik heb nooit last gehad van aanpassingsproblemen. Ik ben, al zeg ik het zelf, dan ook heel soepel in de omgang. Begin 1986 werd ik benaderd door iemand met de mededeling dat de WOS van start ging en dat dat net wat voor mij was. Heb ik een brief gestuurd. Een paar weken later werd ik door WOS’ers van het eerste uur, Lex Valk en Peter Keijzer, uitgenodigd om eens langs te komen voor een gesprek. Dat heb ik toen gedaan. Ik moest van hen als een soort nieuwslezer een aantal berichtjes voorlezen. Veertien dagen later was ik aangenomen.

Prullenmand
Als vrijwilliger ben ik bij de WOS vooral begonnen met de technische kant van radio maken. Daarnaast verzorgde ik ook toen al wat reportages. Dat was soms een race tegen de klok. Al het opgenomen materiaal moest toen nog handmatig geknipt en geplakt worden en de stelregel bij de WOS was: alles wat ’s nachts na één uur binnenkomt is te laat. Da’s goed voor de prullenmand. Bij mijn allereerste kennismaking met Valk en Keijzer had ik al aangegeven dat ik bij de WOS graag eenzelfde soort programma zou willen maken als voor de BOM. Dat maakte ik inmiddels ook al vele jaren ook voor de ziekenomroep Schiedam en in Schipluiden. Na een half jaar bij de WOS werd dat mogelijk, vanwege zendtijduitbreiding. Zo ben ik dus begonnen op zondagmorgen tussen elf en twaalf uur. Dat uur is altijd gebleven en er is in de loop van de tijd steeds meer tijd bijgekomen. Steeds vroeger op de zondagochtend. Viel er weer een programma weg, kwamen ze naar mij toe: ‘Ton wil jij nog een uurtje extra opvullen.’ Prima hoor, mede door de ziekte van mijn vrouw was ik toch altijd al een vroege vogel, moest haar altijd ‘s morgens helpen met wassen, aankleden en eten. Vroeg opstaan was en is voor mij geen enkel probleem. Ja en dan ben je zo aan de 1250ste uitzending toe.

Plus-Televisie
Niet lang nadat Ria mijn vrouw in de zomer van 2005 was overleden, vroeg men mij of ik misschien interesse had ook iets voor WOS televisie te gaan doen. Daar heb ik een paar dagen over na moeten denken en toen ja gezegd. Ik had twee mensen benaderd, Kees Bouwhuizen als cameraman en Klaas Kelderman als editor, en met z’n drieën zijn we gestart. Bijna vier jaar hebben we in die samenstelling week in week uit aan tal van onderwerpen veel aandacht kunnen besteden. Om dat televisiewerk, de reportages die ik op de zaterdag in het programma van Kees Zwinkels verzorg en het samenstellen en presenteren van mijn ‘eigen’ zondagochtendprogramma te kunnen volhouden moet ik werken volgens een strak schema. Maar daar heb ik geen probleem mee. Ik ben van nature een gedisciplineerd mens.

Muziek
Muziek is het mooiste wat er is. Ik noem het altijd een internationale manier van communiceren. Je kunt er heel veel mee overbrengen en dat is wat ik wekelijks probeer. En daar slaag ik zo denk ik goed in. Elke week weer krijg ik enorm veel reacties binnen van luisteraars. Soms heel emotionele. Als voorbeeld een reactie die ik onlangs kreeg van een terminale mevrouw die druk bezig was haar eigen uitvaart te regisseren. Heel verdrietig allemaal. Ze vertelde me dat ze geëmotioneerd was geraakt door een gedicht dat ik had voorgelezen en het stuk muziek dat daarna kwam. Ik wist het nog, dat was het Ave Maria in de uitvoering van de Oostenrijkse zangeres Monika Martin. ‘De mooiste uitvoering die ik ooit gehoord heb, Ton’ zei ze. In zo’n geval mail ik dan dat gedicht en ik heb er voor gezorgd dat ze dat stuk muziek op CD heeft ontvangen. Kon haar zoon dat bij de andere drie nummers die ze al had uitgekozen zetten. Ik krijg ook veel verzoekjes maar dat probeer ik zoveel mogelijk te beperken. Ik stel het programma samen volgens een bepaald recept en teveel verzoeknummers zouden de identiteit van het programma te veel kunnen veranderen en dat wil ik voorkomen.

Uniek
Mijn programma is, al zeg ik het zelf, tamelijk uniek. Het genre muziek dat je bij mij kunt beluisteren hoor je verder niet op de WOS of op welke andere zender dan ook. Radio vijf wellicht uitgezonderd. Ik draai iedere zondag consequent een paar Duits nummers en een paar Franse chansons. Dat kom je verder nergens tegen. Ik wil meteen een wijd verbreid misverstand uit de wereld helpen dat er alleen ouderen zouden luisteren. Uit onderzoeken is gebleken dat ook veel jeugd mijn programma weet te waarderen. Over wat de toekomst me brengt denk ik niet veel na. Mijn insteek is om gewoon lekker door te blijven gaan zolang het me gegeven is. Af en toe denk ik wel eens: ‘Ton, wat is dit toch een fantastische invulling van je vrije tijd.’ Ik geniet van de omgang met alle mensen waarmee ik in contact kom tijdens mijn reportages. Bij de WOS zijn er ondertussen veel vrijwilligers die gerust mijn zonen of dochter hadden kunnen zijn. Het is misschien een cliché, maar omgaan met dat jonge spul houdt me jong. Nee, ik heb het prima naar mijn zin zo.’

Pijpenstelen
Als we vertrekken bij De Sonnehoeck regent het pijpenstelen. Bij het instappen zie ik nog net dat Ton Kolmeijer zijn kostbare zendapparatuur beschermend tegen al die nattigheid onder zijn jas houdt. De bonbons houdt hij in zijn handen, die mogen wél nat regenen... (Tekstbureau Westland - Cent Wageveld)

maandag 29 november 2010

Het engeltje

Als kerstliefhebber is, zolang als ik me al kan herinneren, de zesde december voor mij een geweldige dag. Het was in mijn jeugd de eerste dag waarop Kerstmis haar schaduw vooruit mocht werpen. Tot aan die zesde december stond alles in het teken van de Sinterklaas. Geen winkelier die het in zijn hoofd haalde in de Sinterklaastijd al kerstartikelen te verkopen of zijn etalage al met kerst spulletjes op te fleuren. Dat deed je niet. De sint kreeg in die tijd alle eer die hem toekwam. Alle verkopen waren op zijn verjaarsfeest gericht, kerst kwam pas daarna aan de beurt.
Het fraaiste voorbeeld daarvan was de speelgoedwinkel van Spannenburg in de Naaldwijkse Molenstraat. Tot vijf december werd de etalage van Spannenburg met recht de schatkamer van Sint Nicolaas genoemd. Vele tientallen kinderneusjes per dag werden tegen de etalageruit gedrukt om al dat prachtigs wat daar uitgestald lag goed te bekijken. Het was voor ons kinderen een unieke ervaring. Zoiets zag je verder eigenlijk alleen maar in de winkel warenhuizen van grote stad, waar je ouders je zo af en toe met de WSM bus mee naar toe namen om nieuwe kleren te kopen.
Nadat de winkel aan het einde van de middag vlak voor aanvang van ‘het heerlijk avondje’ was gesloten, werd de Sinterklaas-etalage door de familie Spannenburg met vereende krachten ontruimd en volgestouwd met kerstartikelen, vooral spiegelende kerstballen en ander glinsterend spul. Voor de meeste kinderen was deze verandering op de zesde december een teleurstelling. En waar is waar, de kerstetalage moest het qua schoonheid duidelijk afleggen tegen die van de Sint. Spannenburg was er duidelijk op uit zoveel mogelijk te laten zien wat er voor in de kerstboom allemaal bij hem te koop was en niet om de mooiste kerstetalage van Naaldwijk te hebben.
Welk jaar het was weet ik niet meer zo precies, maar het moet ergens midden zestiger jaren zijn geweest op zo,n magische zesde december. Ik rende die middag uit school, de oude, statige Christelijke Rehobothschool in de Naaldwijkse Rembrandstraat, met als doel de winkel, of liever de etalage, van Spannenburg. Brandend van nieuwsgierigheid om te kijken of ze er weer in waren geslaagd Sint en Kerst naadloos in elkaar te laten overlopen. En ja hoor. Al vanaf de stoep voor Bakker de visboer zag ik dat alle speelgoed weer was ingewisseld voor glimmende en glinsterende kerstspullen. Het was druk voor de uitstalramen, Spannenburgs toko was populair bij groot en klein in de decembermaand, maar ik wrong me, klein als ik was, naar voren om te genieten van al dat moois.
Want, mooi waren de kerstballen en klokjes bij Spannenburg. Ik vermoed dat we hier nog met ouderwets handgeblazen materialen van doen hadden. Niets geen liefdeloos, fabrieksmatig gefabriceerde massaproduct. Opeens viel mijn oog op een kerstengeltje. Wat een mooi exemplaar! Het was zilver van kleur en een beetje groter dan de rest van de uitgestalde artikelen zo leek het wel. In haar rechterhand (was het een haar? Ja, kerstengeltjes zijn voor mij altijd vrouwelijk) hield ze een klein trompetje, ook van zilver waarop ze blies. Tenminste dat suggereerden haar bolle wangetjes. Ademloos bekeek ik dat fraaie schepseltje en slechts één gedacht kwam bij mij naar boven: die moet in onze kerstboom.
Helaas... Hoe ik ook zeurde, mijn vader en moeder waren niet te vermurwen. ‘De kerstboom is al vol genoeg,’ bromde mijn moeder. ‘Pas als er iets stuk gaat, kijken we voor iets anders. Tot het zover is, geef ik geen er gulden aan uit. Het geld groeit me niet op mijn rug. Dagenlang speelde ik met de gedachte ‘per ongeluk’ tegen een van die stomme kerstballen uit onze boom aan te lopen zodat ie vervangen moest worden. En dan zou, wie weet, mijn engeltje wel een kans maken. Maar na lang wikken en wegen kwam ik tot de conclusie dat ze, terecht, wel eens zouden kunnen denken dat ik dat opzettelijk zou hebben gedaan. Nou, dan kon ik zeker weten mijn engeltje wel op mijn buik schrijven.
Een week voor kerst kwam ome Wim op bezoek . Hij kwam vertellen dat hij in het voorjaar van het nieuwe jaar ging verhuizen en riep daarbij alvast de hulp van mijn vader in. Met luide stem en brede armgebaren vertelde hij over het dijkhuisje waar hij ging wonen en dat er wel een bunder land omheen lag. ‘Een bunder’, dacht ik, ‘wat is nou weer een bunder’. Ik kreeg echter niet de gelegenheid die vraag te stellen. ‘Je gelooft het of niet, Jo, maar d’r zit een stal bij met plek voor drie paarden, brulde oom Wim, ‘ja, niet van die gewone paarden maar van die zeeuwse dikbillen’. Bij het uitspreken van die woorden strekte hij zijn armen breeduit waarbij zijn linkerhand, baff, stevig in aanraking kwam met onze kerstboom. Niet één maar twee kerstballen overleefden die onverwachte aanval niet. Oom Wim viel meteen stil. Je zag hem denken ‘oei dat kost centjes’, iets dat gezien Oom Wims bijna legendarische gierigheid goed was te begrijpen. Pas toen mijn moeder met veger en blik de scherven kwam opvegen kwam hij weer bij zijn positieven. Hij pakte aarzelend zijn portemonnaie, dik als altijd en haalde er een gulden uit. Zo’n echte zilveren gulden. Glanzend opgepoetst. Het gerucht ging namelijk dat oom Wim avonden lang zijn geld zat op te poetsen en hij legde die als in slow motion op de salontafel. ‘Voor de schade,’ mompelde hij erbij. ‘Ach Wim, da’s toch niet nodig,’ hoorde ik mijn moeder zeggen. Nou, daar was ik het geheel mee oneens. Betalen moest ie en veel ook! Was ie nou helemaal, om onze kerstballen te slopen? Nou zaten we met een gat van hier tot gunder in de boom dat opgevuld moest worden en dat zou dan wel eens door een prachtig mooi engeltje uit de winkel van Spannenburg kunnen worden. Ik had die middag nog gekeken en hoewel de etalage al veel lege plekken begon te vertonen, “mijn “ engeltjes was nog altijd te koop.
De volgende dag ging ik met mijn vader naar de winkel. Ik glom van opwinding. We zouden het engeltje gaan kopen, daar was ik van overtuigd. Toen we in de Molenstraat arriveerden liet ik voor we de winkel betraden eerst het engeltje in de etalage aan mijn vader zien. Ja, vond ook hij, erg mooi. ‘Piet, kost dat ding?’Mijn vader was wel erg oneerbiedig toen hij Spannenburg naar de prijs van mijn engeltje vroeg. ‘Dat is een heel bijzondere Jo’, antwoordde de winkelier, ; een prachtding, Duits makelei, ja dat kennen die Duitsers wel. Is wel een beetje duurder dan de rest, maar is het wel meer dan waard. Een goeie keuze, zeven en een halve gulden.’ Hij maakte aanstalten het glimmende voorwerp uit de etalage te pakken. ‘Ho,ho, Piet, laat maar. Dat vind ik veels te veel, doe die twee ballen daarnaast maar.’ Piet Spannenburg knikte, pakte de ballen die vader had aangewezen en liep naar de kassa. ‘Krijg ik een daalder van je Jo. die zijn vijfenzeventig cent per stuk.’ Tranen schoten in mijn ogen, nooit nee nooit zou dat mooie engeltje bij ons in de kerstboom hangen..
Münster, Duitsland, midden december vorig jaar. Met mijn vrouw bezocht ik de kerstmarkt van deze mooie middeleeuwse stad in Nordrheinwestfalen. Honderden kerststalletjes. Münster kent wel vijf drukbezochte kerstmarkten binnen haar Altstad. Honderden, duizenden kerstartikelen, glühwein, kuchen, gezelligheid. De straten zijn versierd met kilometers lichtslingers, orkestjes spelen kersliedjes. Goede doelen doen goede zaken, het publiek geeft met gulle hand. We schuifelen met de mensenmassa mee, genieten van geuren, kleuren, geluiden. Kerst werpt hier zijn schaduw wel heel nadrukkelijk vooruit. Bij een standje eet ik boerenkool met worst. Het smaakt heerlijk. Altijd gedacht dat dit een gerecht was dat alleen in Nederland werd gegeten. Nederlanders lijken toch veel meer op Duitsers en andersom dan we wel denken. Ik kan er niet mee zitten. Prima volk. Dan ineens, aan de overkant zie ik iets glimmen. Snel eet ik mijn kartonnen bordje leeg en met het laatste stukje van mijn rookworst spoed ik me naar het stalletje waar ik dat glimmende artikel zag liggen. Mijn hart maakt een sprongetje. Daar ligt ze, mijn engeltje! Al zal het inmiddels wel haar kleindochter zijn maar de gelijkenis is treffend. Het klinkt misschien gek maar ik voel tranen van ontroering in mijn ogen opkomen. Daar ligt niet alleen een engeltje dat honderd procent lijkt op een engeltje uit mijn jeugd. Nee, daar ligt eigenlijk mijn jeugd. Mijn gelukkige jeugd. Herinneringen wellen op, mooie herinneringen. Aan mijn overleden vader en moeder.
Dan klinkt de stem van mijn vrouw. Ze is naast me komen staan en kijkt ook naar de spulletjes in het kerststalletje. Ze wijst naar “mijn” engeltje. ‘Kijk nou, dat is een mooie. Die wil ik hebben. Ik ben al jaren op zoek naar zo’n exemplaar maar in Nederland ben ik er nog nooit zo een tegengekomen.’

Zijn eerste kerstfeest

Kerst.
Glitter, glamour, overdaad. Maar, dat hoeft niet. Dat weet u natuurlijk ook wel. Een van mijn dierbaarste kerstherinneringen is aan de eerste kerstviering van mijn zoon op de basisschool. Een eenvoudige, heel gewone kerstviering.
Wekenlang zijn de kinderen in de weer. Ze knippen en plakken dat het een lieve lust is en niets lijkt de juffen te dol om de klas om te toveren met sfeervolle frutseltjes, tekeningen en plakwerkjes. De kerstboom staat in de hoek. Daar is gedurende de weken voor kerst geen plek voor stoute kindjes.
Dan, op de laatste ochtend voordat de kerstvakantie begint, is er de kerstviering. Voor de allerkleinsten is deze niet in de kerk maar apart, gewoon op school. In de ruimte die normaal gesproken wordt gebruikt om over te blijven.
De ouders zitten opeengepakt in een kring. Ze praten zachtjes met elkaar. Het lijkt wel alsof ze denken dat hard praten verboden is. Dat de serene sfeer voor het begin van de viering erdoor wordt verstoord. De gordijnen zijn dicht, het is donker in de overblijfruimte. Vanuit de gang klinken geluiden door.
Daar komen onze kleutertjes, de sterren van deze ochtend. In een lange rij, allemaal in hun mooiste kleren. Trots kijk ik naar mijn zoontje. Hij ziet er snoezig uit in zijn bordeaux rode overhemd met zwart strikje. In zijn handjes houdt hij een door hemzelf uitgeprikte kartonnen ster. Ik zie in het voorbijlopen dat hij ongelofelijk zijn best heeft gedaan om er een vrolijk gekleurd geheel van te maken. In het midden zit een brandend waxinelichtje geplakt. Zijn ogen glimmen in het licht van het vlammetje. Hij is zo geconcentreerd op wat hij in zijn handen heeft, dat hij vergeet het liedje mee te zingen dat de kleuters bij binnenkomst zingen. Hij is niet de enige, maar gelukkig zingen de juffen zelf ook mee. “Komt allen tesamen”.
De kinderen gaan ook in een kring zitten, binnen in de kring van de ouders. De waxinelichtjes worden naast elkaar op een tafeltje gezet. Voor het programma verder gaat, mogen ze eerst even naar de pappa’s en mamma’s zwaaien. Dat geeft even een hoop herrie maar daarna wordt het weer stil.
Eén van de juffen heet iedereen hartelijk welkom en vertelt over het feest dat we vieren. Het feest van de geboorte van een klein kindje. De kleuters luisteren ademloos, ook mijn zoon, al kan hij het niet laten even naar mij te zwaaien als ik naar hem kijk. Dan worden er wat eenvoudige muziekinstrumenten uitgedeeld en vol overgave wordt er mee getrommeld met “midden in de winternacht”. Eén van de kleuters zingt er vals bovenuit, nee niet die van mij. Die is helemaal in de ban van zijn rol als lid van de omvangrijke ritmesectie. Hij schudt met de kalebassen alsof zijn leventje ervan af hangt.
Dan vertelt de juf weer verder. Over het kindje dat werd geboren in een stal en over de os en de ezel die nieuwsgierig kwamen kijken naar dat kleine baby’tje. Dan zingen alle aanwezigen groot en klein “Stille nacht, heilige nacht”. De viering is bijna afgelopen, de spanningsboog van de kleintjes is nog niet zo groot. Het hoofd van de school komt naar voren en bedankt iedereen, groot en klein voor hun aanwezigheid. Hij vraagt de kinderen om heel eerbiedig de handjes te vouwen en de oogjes dicht te doen omdat ze de Heer gaan danken voor de fijne kerstviering. Als op commando vouwen de kleine handjes zich en worden de oogjes samengeknepen.
Bij de uitgang krijgen de kleuters een plastic zakje met een paar mandarijntjes, waarna de kerstwerkjes worden opgehaald in de eigen klas. Een uurtje later staat er een uitgeprikt vrolijk gekleurde ster met een waxine lichtje erop vastgeplakt te branden, thuis op de vensterbank. Mijn zoon zit ernaast ernaar te kijken. Zijn hoofdje steunt op zijn handjes. ‘Mooi hè pappa, kerstfeest is leuk hè…
Ik geniet.

Cent Wageveld

Natte Kerst

Westland winter 1977. Tegenwoordig zijn er nog maar een paar over. Van die smalle paadjes waar je alleen per fiets of te voet overheen kunt wat je een flinke omweg bespaard. Wij woonden langs een van die smalle paadjes. “Een man, ene “Arie”, was een van de vele vaste passanten die iedere dag gebruik maakte van ons paadje. Het was een opvallend persoon. Groot en dik. Zo dik dat je zijn fietsje bijna niet zag als hij erop zat. Ook Arie’s hoofd was een bezienswaardigheid. Het had een omvang die ik zelden of nooit meer heb gezien. Ongelofelijk, wat een raap. Daarbij had hij ook nog een enorme neus die wel plompverloren op die enorme harses leek te zijn geplakt. Die gok was op zich het bekijken al meer dan waard. Die had veel weg van een rooddooraderde aardappel. Mijn vader wist wel waar Arie die neus aan te danken had. ‘Hij lust graag een borreltje’. Bij ons thuis noemden we hem “de Kerstman”. Het hoe en waarom weet ik niet meer zo precies maar ik vermoed dat dit kwam vanwege zijn omvang, zijn kleine witte baardje en de roodbruine jas die hij bijna jaarrond droeg.
Zijn zoon tuinde aan het eind van ons paadje en Arie, die zelf al van zijn oude dag genoot bracht iedere dag koffie naar de tuin. In een tas aan zijn stuur hing een ouwe versleten tas waarin een thermosfles, een koektrommel en een platvinkie met sterke drank zat. Hoe ik dat zo precies weet?
Het was een dag vlak voor kerst. Ik had al vrij van school en zat in onze warme huiskamer een boek te
lezen. Af en toe keek ik naar buiten, hopelijk zou het gaan sneeuwen. Een witte kerst... Romantisch. Daar naderde Arie. Aan zijn stuur zijn ouwe versleten tasje. Zonder al te veel belangstelling volgde ik de oude man daar buiten op zijn zo goed als onzichtbare fietsje. Opeens hoorde ik het knetteren van een brommer en tot mijn niet geringe verbazing zag ik Arie, die kennelijk geschrokken was van die opeens voor hem opduikende brommer, rechtstreeks op de sloot aansturen naast het paadje. Met een enorme plons belandde hij in het water. Een ogenblik was ik sprakeloos, toen stond ik snel op, rende naar de keuken en riep: ‘Mamma, de Kerstman ligt in de sloot.’
Een ogenblik later rende ik samen met mijn moeder naar buiten. Arie was onder het uitstoten van de meest godslasterlijke taal al weer uit de sloot geklommen. Nooit meer een Kerstman zo horen vloeken. Mijn vader was op al dat lawaai af gekomen en hij was bezig de fiets van Arie op het droge te trekken. Aan het stuur bungelde nog het ouwe tasje. Met een enorme zwaai trok vader de fiets op waarbij echter een klein flesje uit de tas in de sloot viel. ‘Me platvink,’ riep Arie en plonsde onvervaard weer terug in het koude wateren viste met een onverwacht snelle beweging het kleine flesje uit de sloot voordat het ook maar de kans kreeg te zinken.

De natte Kerstman werd door moeder meegenomen naar het achterhuis waar ze hem een paar warme doeken aanbood waarmee hij zich droog en warm kon wrijven. Moeder bood hem een warm kopje koffie aan maar dat sloeg hij af. Triomfantelijk hield hij zojuist door hemzelf geredde flesje omhoog. ‘Bedankt, maar ik heb me platvinkie om het warm te krijgen mevrouw,’ baste hij naar mijn moeder. Binnen een mum van tijd had hij het hele flesje leeg. ‘Zo, nat van binnen bevalt me beter dan nat van buiten,’ sprak hij olijk. Hij nam het aanbod van vader hem even met onze pick-up naar huis te brengen maar al te graag aan. ‘Me zoon moet het nog maar even zonder koffie stellen.’ Ik keek ze na. Vader had de fiets achterin de auto gelegd en ik kon me niet aan de indruk onttrekken dat de kerstman wat waggelend naar de auto liep.

zondag 28 november 2010

Ondergedoken in 's-Gravenzande

In de voetsporen van een dwangarbeider


Westland – We schrijven 2008. René J. Versluis ontruimt zijn ouderlijke woning. Op de zolder vindt hij een boekje en wat correspondentie die zijn vader toebehoorden. Uniek materiaal, zo blijkt al snel. Een tot dan toe zo goed als onbesproken gebleven deel van zijn vaders leven wordt erdoor onthuld. Het zorgvuldig in pakpapier bewaarde boekje blijkt een compleet dagboek te zijn waarin Versluis senior minutieus verhaalt over de tijd die hij in Duitsland heeft doorgebracht als dwangarbeider, nadat hij tijdens een razzia te Rotterdam in november 1944 was opgepakt. Maar ook over wat er gebeurde, nadat hij daar ontsnapt was en over zijn periode als onderduiker in ’s-Gravenzande.

Gegrepen
René Versluis, toch al bovenmatig geïnteresseerd in geschiedenis, is meteen gegrepen door wat zijn vader in een priegelig handschrift heeft opgeschreven en realiseert zich direct hier een uniek stukje geschiedenis in handen te hebben waar relatief weinig over bekend is. Hij gaat er mee aan de slag. Verzamelt informatie, duikt in archieven, ontcijfert met engelengeduld het handschrift van zijn vader. Ook maakt hij een gedegen studie over voor hem - en dus ook voor veel van zijn toekomstige lezers - vreemde afkortingen en Duitse woorden die met regelmaat opduiken in zijn vaders dagboek. Bijna drie jaar later is er dan het 100 pagina’s dikke boekje “In de voetsporen van een dwangarbeider”.

Stationschef
John Versluis, Rotterdammer, is tijdens de mobilisatie gelegerd in het Fort aan den Hoek van Holland waar hij geschutscommandant is. Gedurende die tijd, tijdens een cursus in het stationsgebouw van de WSM aan de Monsterscheweg in het naburige ’s-Gravenzande, leert hij Willy den Ouden kennen, dochter van de plaatselijke stationschef. Hij valt als een blok voor de jonge Westlandse. Gelukkig is dat wederzijds en ze krijgen verkering. Het wordt oorlog en Versluis keert terug naar Rotterdam om zijn boterham te gaan verdienen als ingenieur bij het bedrijf Croon & Co.. In 1943 verlooft hij zich met mejuffrouw Den Ouden. Ondanks de bezetting verloopt het leven eigenlijk vrij normaal.

Arbeitseinsatz
Tot aan die fatale 11de november 1944, wanneer hij zich moet melden voor de Arbeitseinsatz, het uitvoeren van dwangarbeid in Duitsland. Na zijn deportatie komt Versluis terecht in een hele ander wereld. De wereld van oorlog, dwang, kou, tekorten, ziekten, dood en ellende. Alles wordt nauwkeurig beschreven. De originele afdrukken uit het dagboekje van vader Versluis, en wat brieven en kaarten zijn te vinden op de linkerpagina’s. Daarnaast op de rechter bladzijden staan dezelfde teksten in leesbaarder schrift plus, waar nodig, voorzien van uitleg door auteur en zoon René.

Fragment
Een fragment uit het dagboek van John Versluis: 29 januari 1944. Op rangeerterrein Oppum verschrikkelijk bommentapijt meegemaakt. (...) Vrouw in armen met hartaanval. Dorp en terrein, wagons, locomotieven enz. totaal in gruis. Tientallen dooie koeien met vroegtijdige kalveren. Geholpen aan beschadigd huisje. 1 levende vrouw en 1 dode man eruit gehaald, (…) onze ploeg: 1 vermiste, 2 doden, 1 zwaargewonde en 1 lichtgew.. (...) Koolsoep.

Onderduiken in ‘s-Gravenzande
Op 2 maart 1945 weet Versluis te ontsnappen en samen met een lotgenoot begint hij aan de tocht richting Nederland die ondermeer via Winterswijk en Haastrecht loopt en eindigt in Rotterdam. Op 13 maart na de nodige ontberingen sluit hij, teruggekeerd in zijn geboortestad, eindelijk zijn geliefde Willy weer in de armen. Maar in Rotterdam blijven is veel te gevaarlijk. Daar worden nog steeds razzia’s gehouden.

Er wordt besloten dat onderduiken in het stationsgebouw aan de Monsterseweg in ’s-Gravenzande veel veiliger is. Met een aandoenlijk amateuristische vervalsing van een persoonsbewijs weet John Versluis het sperrgebied waarin “Het Breeje Durp” in zijn geheel ligt, binnen te geraken. Gedurende de laatste oorlogsmaanden zal de zolder van het stationsgebouw zijn verblijfplaats worden. Die vervalsing van het persoonsbewijs is mogelijk gemaakt dankzij het ondergrondse Westlandse verzet, dat zelfs tot binnen de muren van het Gemeentehuis is geïnfiltreerd.

Emotioneel
Onlangs bezocht auteur René Versluis het voormalige stationsgebouw dat voor veel jongere Westlanders beter bekend staat als het gebouw waar tot voor enige jaren De Zaadcentrale, de groentenzadenhandel van Jan Minnaar gevestigd was. René: ‘De huidige bewoners hadden er geen weet van dat er ooit onderduikers een veilige schuilplaats hadden gevonden in hun woning. Ja, dat ze wonen in het voormalige WSM stationsgebouw en dat er een zaadhandel in gevestigd was dat wisten ze wel. Maar dat er boven op de zolder onderduikers gewoond hadden, was helemaal nieuw voor hen. Een stukje toegevoegde waarde. Dat er ooit iemand bescherming tegen de boze buitenwereld had gevonden, juist in hun huidige woonhuis. Te gek eigenlijk. Ik heb een kijkje genomen op die zolder, best wel emotioneel ja.’

50.000 exemplaren
Ambitie om verder te gaan met het schrijven heeft René Versluis niet. ‘Ik ben jurist van professie en schrijf dus wel eens wat, maar dat is van een heel andere orde. Dit boekje is er gekomen omdat ik dit onbekend gebleven oorlogsleed, over de ontberingen, de hel, waarin tienduizenden dwangarbeiders toen moesten leven meer bekendheid wilde geven. Mijn vaders geschiedenis staat daarin symbool voor wat hen allemaal is overkomen. Mijn ideaal is er 50.000 exemplaren van uit te geven. Voor iedere dwangarbeider één. Zo krijgt dit onderwerp de aandacht die het uiteindelijk verdient want veel dwangarbeiders hebben er na thuiskomst niet of nauwelijks over gesproken ’

Informatie
“In de voetsporen van een dwangarbeider” is te bestellen door € 17.00 over te maken op rekeningnummer 754457052 t.n.v. R.J. Versluis te Alphen aan den Rijn onder vermelding ‘boek’. Vermeld daarbij s.v.p. uw adresgegevens. Meerdere exemplaren tegelijk kunt u direct bestellen via de uitgever info@dwangarbeider.nl of via www.selexyz.nl. Het boek is ook te koop in Selexyz Boekhandels. (Tekstbureau Westland - Cent Wageveld)

dinsdag 1 juni 2010

Blikveld


Ben

Westland is sinds 27 mei Westland niet meer. Het is u misschien nog niet opgevallen, maar er is iets veranderd. Sinds afgelopen donderdag zijn we wat minder uniek geworden. Dat komt door het vertrek van Ben. Wethouder Ben, officieel B.P.M van der Stee. Een van de boegbeelden van de LPF. De enige politicus die het in ons land namens zijn partij ooit schopte tot wethouder. Ben is vanaf heden ‘gewoon’ gemeenteraadslid. Hij was al een tijdje wethouder af. Al sinds andere partijen met listig onderhandelen zijn club ‘kalt’ hadden gesteld. De Lokale Politieke Federatie Westland buiten het college van B & W hadden gemanoeuvreerd. Maar na donderdag, na zijn afscheidsreceptie in het Teejater, nu ook officieel. Uiteindelijk was het dus vooral Ben die slachtoffer is geworden van die ‘move’. Dat is veranderd. Ben was namelijk niet alleen de enige LPF wethouder van Nederland, hij was waarschijnlijk ook één van de weinige twitterende wethouders. Ben was niet weg te slaan van Twitter. U weet niet wat dat is? Ik zal het even kort uitleggen. Twitter is een activiteit op internet. Iedere twitteraar (zo noemt men een gebruiker van Twitter) laat op  enig moment van de dag weten via één of meer ultra kort berichtjes wat hem/ haar bezighoudt. Of wat ze doen, gaan doen of gedaan hebben.  Dat ‘twitteren’ betekent eigenlijk ‘kwetteren’. Nou wethouder Ben die kwetterde gedurende zijn ambtsperiode dat het een lieve lust was. En daarin was hij volgens mij uniek. Heel veel gemeenten hebben kwebbelende wethouders. Of kletsende. Er zijn kleppende, kwijlende, zwalkende, onbetrouwbare, zwijgende, roddelende wethouders. Maar kwetterende, of te wel twitterende… Nee, zo eentje hadden we alleen in Westland en dat moeten we nu dus missen. ‘Ik ga zo naar de tennis en dan naar een receptie’, zomaar een tweet van Ben. Of eh… ‘nog even vergaderen en daarna naar een receptie’. Het gaf een mooi inkijkje in de dagelijkse beslommeringen van een wethouder. En nooit gelogen, uit eigen ervaring. Ik stond een keer heel dichtbij twitterende Ben. Dichterbij kon niet, hij stond namelijk op mijn tenen. Niet dat hij dat merkte, hij was te druk met het fabriceren van een tweet over de actuele situatie. Daar stonden we. Opgepropt onder een afdakje, te schuilen tegen de stromende regen. Vlak voordat de langste plantenbak ter wereld zou worden opgemeten. Hij twitterde en vanwege mijn ongemakkelijke positie las ik ongewild mee. ‘Het regent pijpenstelen bij opmeten plantenbak’. De rest kon ik niet meer zo goed lezen maar het ging over FC ADO Den Haag. Ik trok mijn voet onder zijn schoen vandaan en keek hem nijdig aan. Niet vanwege die voet maar vanwege die tweet over die voetbalclub van nabij het Prins Clausplein. Sorry hoor, één keer die naam is meer dan genoeg. Hij merkte het niet. Zijn ogenschijnlijk lichte voorkeur voor die voetbalclub heb ik vanaf zijn entree in de Westlandse politiek één van zijn weinige minpuntjes gevonden. Ik heb het al eens eerder geschreven en knoop dat in je oren Ben, voor een mogelijke Westlandse wethouderspost na de verkiezingen van 2014: een echte ‘Westlandert’ is tégen FC Den Haag! Of zal ik het je even twitteren??
CW