vrijdag 19 juli 2013

Nieuwe haring

Mijn man en ik staan nou niet direct bekend als “kouwelijers” (hoewel ik wat betreft mijn echtgenoot daar wel eens twijfels over heb). Toch was het met de zomerse temperaturen van het afgelopen weekend pas voor het eerst dit jaar dat we in ons vrije weekend de fiets pakten om een tochtje door het Westland te maken. Recreatief een stukkie fietsen moet wel leuk blijven en geen plicht nietwaar? Het ging richting Hoek van Holland deze keer, want daar was een braderie en het idee van een nieuw harinkie happen, lokte mijn smaakpapillen richting kust. Tijdens zo’n braderie is dat altijd wel verkrijgbaar.
De braderie was op z’n zachtst gezegd matig. Minder kramen dan anders en wie door de kramen heen keek, zag daarachter een triest beeld van gesloten winkels die de crisis niet hebben overleefd. Een akelig beeld van een spookwinkelcentrum dat door weinig publiek werd bezocht, drong zich aan mij op. Misschien lag de rest van Hoek van Holland op het strand, dat zou kunnen. Het centrum van de braderie was echter niet het middelpunt van zomerse gezelligheid. We konden alles rustig bekijken en stopten hier en daar om wat lekkernijen aan te schaffen. Totdat ik aan het eind van de straat, op het plein, de viskraam ontdekte. Nu ben ik dol op vis, maar ik wil ze nooit volledig op mijn bordje zien. De kop moet er wel af zijn, zal ik maar zeggen en het liefst de staart ook. Dat bij zo’n harinkie de staart er nog aanzit, neem ik maar voor lief. Dat is alleen maar gemakkelijk als je ‘m boven je mond moet vasthouden, het hoofd achterover, om de vis naar binnen te laten glijden en er een flinke hap van te nemen. Dat schijnt een typisch Hollandse gewoonte te zijn. Zónder uitjes voor mij graag, want die dreigen tijdens deze handeling altijd van de vis af te glijden richting allerlei kieren en gaten in de zomerkleding. ‘Je gebbetje’ noemde iemand ooit de gleuf tussen mijn borsten. ‘D’r valt wat in je gebbetje.’ Ik had nog nooit van een gebbetje gehoord, maar het was me duidelijk wat ermee werd bedoeld. In ieder geval niet wat men in Amsterdam onder een ‘gebbetje’ verstaat, want daar betekent het een geintje. Enfin, stukjes ui in mijn gebbetje zijn niet gewenst en da’s geen geintje. Het hoort er niet thuis en verspreidt een doordringende lucht, waar zowel ik als mijn omgeving niet blij van worden, dus zónder uitjes graag. Dat was geen probleem. Manlief stond het tegen de wind in wantrouwend op een afstand te bekijken. Het stevige zeebriesje dat over het pleintje woei was nadrukkelijk zijn bondgenoot. Hij houdt beslist niet van vis en wordt al akelig van de geur. Na betaling van 1,50 euro kreeg ik het visje op een kartonnetje aangereikt en met het water in de mond pakte ik deze bij de staart. Hoofd achterover, vis boven de mond en happen maar. Ik kan u zeggen dat dat niet meeviel. Die staart was superglad. Terwijl de vis boven mijn gezicht slingerde, had ik de grootste moeite om het ding niet uit mijn vingers te laten glippen. Bijna raakte de in de wind wiebelende vette substantie mijn zonnebril en reken maar dat je die daarna niet meer schoon krijgt met een vezelpoetsdoekje. Voorzichtigheid was dus geboden. Bovendien stond een groepje Aziatische toeristen vol belangstelling mijn handelingen te volgen en ik wilde geen flater slaan bij deze typisch Hollandse handeling. Van ontspannen een happie eten is geen sprake meer als je tot toeristische attractie wordt getorpedeerd, maar ik hield me groot. In een ooghoek zag ik ineens iets roods in het boven mijn hoofd slingerende object. Bloed! Mijn eetlust smolt als sneeuw voor de zon. Een rauwe vis eten voor publiek gaat nog net, maar dan zonder kop, zonder uitjes en zonder bloed graag. Misschien ben ik een beetje lastig, maar een mens heeft zo z’n grenzen. Toch vermande ik mezelf en hapte ik de vis weg, mezelf toesprekend dat ik niet kinderachtig moest zijn. Toen ik het kartonnetje in de vuilniszak van de visboer weggooide, zocht ik een servetje. Dat was er niet. ‘Zeker ook weg bezuinigd,’ mompelde ik. Met mijn vette vingers wilde ik mijn tas niet vies maken op zoek naar een zakdoekje. Maar gelukkig stond daar mijn redder in nood: manlief die altijd een schone zakdoek bij zich heeft. Hoffelijk bood hij die aan en ik veegde snel mijn vette vingers ‘schoon’. Manlief moffelde de naar vis ruikende zakdoek snel in zijn broekzak met de belofte dat ‘dat stinkende ding’ thuis meteen in de wasmand zou belanden.
We stapten weer op onze fietsen en reden via het Staelduinse bos terug naar Naaldwijk. Een heerlijke koelte verfriste ons onder de bomen. Bomen die trouwens allerlei pluizen loslieten die vrolijk in de wind rond waaiden. Het leek wel of Vrouw Holle haar veren dekens aan het uitschudden was. Een kleine bijkomstigheid van die pluizen is, dat ze in je neus kunnen belanden en een akelige kriebel veroorzaken. En als nette Hollanders niesen wij dan in een zakdoekje. Zo ook mijn man die snel zijn zakdoek pakte en deze tegen zijn neus en mond drukte. Ik wou hem nog waarschuwen, maar het was al te laat. Met een vies gezicht staarde hij naar de zakdoek die naar dat heerlijke harinkie rook.
Ik denk dat ik de volgende keer toch maar een ijsje neem…

vrijdag 12 juli 2013

Bij de lange dam

Het was een van de laatste mooie najaarsnamiddagen van het vorig jaar. Een zaterdagmiddag. Mijn man was een stuk gaan hardlopen en ik had wat gewandeld. In afwachting van zijn terugkomst ging ik op het wankele bankje zitten dat tegen een snackbar stond aangeplakt. Heerlijk met mijn gezicht in het nog steeds milde najaarszonnetje. Dat zonnetje zonk steeds dieper en dieper weg. Nog even en ze zou helemaal verdwenen zijn achter de stoere industriële installaties op de Maasvlakte. Met toegeknepen ogen tuurde ik de lange dam af. Kwam mijn lief er al aan? Er kwam een vrouw naast me zitten op het smalle bankje, dat niet breder was dan twee plankjes. Een al wat oudere vrouw. In haar hand had ze zo’n geweldige puntzak Ras-patat. Met een flinke klodder mayonaise. Precies zo een als die ik mezelf en mijn man had beloofd zodra hij zijn looprondje had afgerond. Het smaakte haar zo te zien goed. De hand waarmee ze de frietjes uit de zak pakte glom van het vet. ‘Daar kan ik nou zo van genieten hè.’ Omdat ik de enige was op het bankje, waren die woorden kennelijk aan mij gericht. Ik knikte en glimlachte. Maar tegelijk vroeg ik me af wat ze eigenlijk bedoelde. Het uitzicht? De zon? Het Ras-patatje? Het antwoord kwam snel. ‘Zo’n patatje aan het einde van de middag, heerlijk. Vroeger al, toen de jongens nog klein waren, ja ik heb er drie. Zijn volwassen mannen inmiddels.’
Haar vingers tastten de bodem af van de bijna lege puntzak . Helemaal onderin vond ze nog een kruimeltje. Ze verfrommelde de lege zak en legde die tussen ons in op het bankje. Een brutale vogel hipte teleurgesteld weg. O, wat had die graag met zijn scherpe snavel nog even gecheckt of er nog wat lekkers in was achtergebleven. Met haar tong likte de vrouw haar lippen schoon, keek me aan en vervolgde: ‘Ja, dat was wat vroeger. Zes dagen in de week buffelen in de tuin, mevrouw. Samen met mijn man. Zeker ‘s zomers maakte we lange dagen. Vergis je niet. Opstaan voor dag en douw. Voor de jongens zorgen, ontbijten, het huis aan kant en dan hup de tuin in. Naar mijn man. Ook een handje uitsteken. We teelden van alles, het was hard werken, zuinig leven. Vallen en opstaan. Als u zelf uit het Westland komt, weet u er waarschijnlijk alles van. Vakantie? Kenden we niet. In de zomervakantie een daggie met de jongens naar Rotterdam, naar de diergaarde. Dat was hét hoogtepunt. En zo nu en dan, als het werk in de tuin het toeliet, een middaggie naar het strand. Soms naar ’s-Gravenzande maar meestal naar De Hoek, hier naar de lange dam. Meer zat er niet in. Gingen we op de fiets vanuit het Westland hier naar toe. Was wel wat verder rijden dan naar ’s-Gravenzande, maar we vonden het hier nou eenmaal veel leuker. Niet in het minst vanwege al die bootjes die hier de Waterweg in en uit varen. Scheppies en emmertjes de hele rataplan ging dan mee. De jongens konden zwemmen in een van die ondiepten hier.’ Met haar hoofd wees ze naar schuin voor ons, naar een piepklein strandje aan vier zijden afgebakend door basaltkeien. ‘De Hoekenezen noemden dat gebiedje hier “De Driehoek”. Kwam erg veel lokaal volk, gezellig was dat hoor. Mijn jongens hebben hier leren zwemmen. Gingen niet naar zwemles, dat had je niet. Ben je gek, veuls te duur, dat was voor de rijken uit het dorp. Goh, ik zie ze nog poedelen. Johan, de jongste, was het eerst zover dat ie kon zwemmen. Zo trots als een aap met zeven staarten. Was ie voor het eerst eens ergens sneller en beter in dan zijn broers. Mijn man en ik zaten dan lekker in het zonnetje hier op de keien of tegen die bunker an. Thermosfles koffie mee. Heerlijk, kwamen we echt tot rust. En dan aan het einde van de middag aten we altijd een patatje. Meestal hier, bij deze tent. Aan het begin van de lange dam. Maar soms was het er zo druk dat we besloten een patatje te gaan eten een stukkie verderop, in wat we noemden ‘de ouwe Hoek’. Daar had je een paar tenten vlak bij elkaar. Zo’n middag was een waar feest. Zowel voor mijn man als voor mij en voor mijn jongens.’
Ze valt stil. Wriemelt wat met haar handen, knikt en kijkt wat voor zich uit. Dan vervolgt ze. ‘Tsja, ’t was een mooie tijd. Alles is anders nu. Mijn man is een paar jaar terug overleden. De jongens zijn uitgevlogen. Hebben hun eigen gezin en zo hun besognes. Niets is meer zoals het was. Maar, één, twee keer in de maand, als het een beetje goed weer is, dan tuf ik op mijn scootertje naar De Hoek. En dan gun ik mezelf een patatje. Hier, bij de lange dam. Daar kan ik zo van genieten hè…’

maandag 8 juli 2013

Westlandse schippers

Het vrijwilligerswerk in het Westland bestaat uit een wijdverbreid netwerk. Dat kon ik de afgelopen week weer eens aanschouwen. Op uitnodiging bezocht ik namelijk de jaarlijkse ‘schippersvergadering’ die plaatsvindt voordat het Varend Corso Westland plaatsvindt. De schippers die daaraan deelnemen, spelen geen geringe rol in het goed laten verlopen van het steeds beroemder wordende corso. In een zaal van Fleuresto bevonden zich zeker zo’n honderd man. En vrouw, want er zijn ook vrouwelijke schippers, maar beduidend minder in hoeveelheid dan mannen. Zij besturen afwisselend de corsoboten op 2, 3 en 4 augustus a.s. Geconcentreerd luisterden ze naar de instructies van het bestuur van het corso. De vaarroute werd doorgenomen, inclusief alle mogelijke knelpunten en de manier waarop men in de pauzes de boten aanmeert. Het schippersreglement werd besproken. De vaarafstand die men in acht moet proberen te houden. Er werd gesproken over het gebruiken van een schone corsovlag en nette kleding. Géén alcohol. En het op tijd laten bukken van de figuranten voordat men onder een brug doorvaart. Het zachter zetten van muziek zodra een speakerplaats in de buurt is. Overhangende takken en reserve v-snaren. Zonnebrandolie aan boord, evenals een paracetamolletje… En last but not least: een telefoon of portofoon. Tjongejonge, ik had nooit gedacht dat de schippers op zóveel aspecten moesten letten tijdens de vaart. Wat echter nog veel belangrijker is, is de veiligheid van de deelnemers en toeschouwers. De schippers van het corso spelen een cruciale rol in de bewaking daarvan. Gedurende het evenement zijn extra manschappen van de politie op de been. Mocht zich echter onderweg een calamiteit voordoen, dan zijn het meestal de schippers die dit zien en die in actie moeten komen. Hoe ze dat doen? Waarschuwen per telefoon, of per portofoon. Want áchter die schippers bevindt zich ‘De Spin’. Nee, u bent niet in een aflevering van Spiderman terecht gekomen over gevaarlijke situaties in het Westland waarin vliegende spinnen soepeltjes alle problemen direct komen oplossen. U leest hier over een belangrijke rol binnen het corso: de man die u kunt zien als ‘de spin in het web’. De Spin staat in contact met alles en iedereen en hij leidt zo snel mogelijk alles in goede banen zodra een kink in de kabel dreigt. Om in de Spiderman comicsfeer te blijven: toch een beetje een soort superman binnen het Varend Corso. Die schippers vertrouwen op hem, op elkaar en bovenal op zichzelf. Het zijn mensen waar je bewondering voor kunt hebben. Als er mensen zijn die het thema van het Varend Corso 2014 ‘Durf(t) te dromen’ waargemaakt hebben, dan vindt u die onder de schippers. Velen van hen hebben het voorrecht een oude Westlander te besturen. Zo’n prachtige klassieke schuit die in vroeger tijden gebruikt werd om producten van tuinderijen naar de veiling te varen. Niets ten nadele van de andere boten, maar die schuiten die de naam ‘Westlanders’ dragen, doen iets met me. Ik vind ze geweldig mooi, vooral als de mast is gehesen. Een geweldige schuit van zeker 12 meter lang. Ik geef het je te doen om die goed door de Westlandse wateren te loodsen en ondertussen alles in de omgeving en op de schuit in de gaten te houden. Als ik over een maand naar het Varend Corso kijk, dan maakt mijn hart een sprongetje als ik zo’n oude Westlander voorbij zie varen. Dat doet het al jaren en dat zal straks niet anders zijn. Pure trots op zoveel moois. En trots zijn die schippers ook. Daar kwamen ze tijdens de vergadering rond voor uit: ‘Wij zijn trots op onze schuiten…’ Volkomen terecht wat mij betreft. Wees er maar zuinig op, want het is een onderdeel van ons cultureel erfgoed waar velen nog lang van hopen te kunnen genieten! Zet het maar alvast in uw agenda: 2, 3 en 4 augustus Varend Corso Westland.

donderdag 27 juni 2013

Het systeem

‘Sorry mevrouw, het duurt wat langer, we zijn namelijk overgestapt op een nieuw systeem.’ Deze verontschuldigende woorden ving ik op toen ik in een apotheek stond. Ik stond al een half uur te wachten om mijn medicijnen op te halen. Wat van buitenaf een rustig moment leek, bleek bij het binnentreden allerminst juist te zijn. Een korte blik op mijn volgnummertje maakte duidelijk dat er 20 wachtenden voor me waren. ‘Dan maar even gaan zitten,’ dacht ik. Dat hadden 5 van de 20 wachtenden echter ook al bedacht, dus bleef er niets anders over dan blijven staan. Ik keek eens rustig om me heen. Had geen haast en ik wilde mij nergens druk om maken. Een paar mensen keek op hun mobiele telefoon. Het leek me een goed idee om ook even mijn berichtjes te checken. ‘Ik sta hier in die fucking apotheek en dat gaat nog wel ff duren,’ hoorde ik één van de wachtenden door de ruimte schetteren. Een meisje belde naar iemand die hier kennelijk van op de hoogte gebracht moest worden. Een deel van de omstanders keek, een beetje in verlegenheid gebracht, een andere richting uit. Alsof men wilde benadrukken niet bij haar te horen. ‘Ze hebben hier een fucking nieuw systeem en dat doet geen ene fuck,’ vervolgde het meisje dat niet uitblonk door haar ruime woordenschat, onbeschaamd. Bij de balie verhief een andere vrouw haar stem: ‘Je denkt toch zeker niet, dat ik nog een keertje terugkom met die drukte hier!’ De apothekersassistente ondernam een poging de oorzaak van de lange wachttijd uit te leggen en bood haar verontschuldigingen aan. Het oogstte geen effect. ‘Geweldig,’ klonk het naast mij. De eigenaresse van deze stem keerde zich half naar mij toe en fluisterde net hard genoeg voor omstanders om het te horen: ‘Moet je hier betalen als je ’s avonds je medicijnen haalt?’ ‘Volgens mij niet, of er moet iets zijn veranderd waar ik niet van op de hoogte ben,’ antwoordde ik zachtjes. ‘Geweldig,’ eindigde ze met een bittere klank in haar stem het gesprekje. Een man en een vrouw die zich een stukje verderop bevonden, gebruikten de wachttijd nuttig door even lekker bij te praten. Oude kennissen die elkaar een tijd niet hadden gezien. ‘Hier, neem jij mijn nummertje maar,’ zei de vrouw na een tijdje tegen haar kennis. ‘Ik ben diabeet en moet nodig wat gaan eten en mijn medicijnen toedienen, dus ik kom wel een andere keer terug.’ Snel verliet ze de apotheek. Als het geen trieste realiteit was, zou je er bijna om lachen. De mevrouw die bang was dat ze haar medicijnen moest betalen was nu aan de beurt. Ik miste een stukje van het gesprek. Wel ving ik op dat de apothekersassistente nogmaals een poging ondernam om uit te leggen wat de oorzaak van de lange wachttijd was. Ook nu bereikte zij niet het beoogde effect. Integendeel, de vriendelijke woorden van de assistente gaven de vrouw voer om steeds bitser te antwoorden. ‘Geweldig,’ herhaalde ze weer, nu nog cynischer dan daarnet. Als de grootte van een woordenschat erfelijk zou zijn, dan had zij de moeder van het telefonerende meisje kunnen zijn. Ik begon medelijden te krijgen met de apothekersassistentes die al die boosheid over zich heen kregen, terwijl ze zelf helemaal niets aan deze situatie konden doen. Ze zouden er stress en een hoge bloeddruk van krijgen... ‘Ben ik niet eerder aan de beurt, omdat ik mijn medicijnen netjes ruim van tevoren heb besteld?’ vroeg weer iemand anders. ‘Nee meneer, dat systeem hanteren we nu even niet. Vanwege deze situatie handelen we alles op volgorde van binnenkomst af.’ De man gromde iets onverstaanbaars. De assistente ondernam opnieuw een poging begrip te vragen. Dat stond ook al op het publicatiescherm dat boven de balie hing. ‘Graag uw begrip’. Terwijl ik in een schap stond te bekijken wat er allemaal verkrijgbaar was op het gebied van tandverzorging, werd het volgende nummer omgeroepen. Snel keek ik op mijn briefje; en ja, ik was aan de beurt! Toch nog sneller dan ik gedacht had. Slechts 20 seconden later stond ik weer buiten met de medicijnen die ik had besteld en die netjes klaarstonden. ‘Het systeem,’ dacht ik. ‘Steeds vaker hoor je dat ‘het systeem’ oorzaak is van ergernis en vertraging. Toch had ik me geen moment verveeld. Wel is mijn bewondering voor apothekersassistentes gestegen. Ongelooflijk hoe kalm ze onder al die werkdruk bleven, hoewel het volgens mij nooit goed voor een mens kan zijn om in deze omstandigheden te werken. Een paar dagen later las ik in de krant dat er 37 miljard op de bank staat voor ‘de zorg’. En dat er steeds weer op de zorg bezuinigd wordt. Ons geld. Zou het nu een gek idee zijn om daar iets van te besteden aan ‘het systeem’? Zal beslist iets schelen in het ziekteverzuim van apothekersassistentes. Of zou ‘het systeem’ dat niet aankunnen?

vrijdag 21 juni 2013

Muziek

Zelf een muziekinstrument bespelen heb ik nooit geleerd. Ooit heb ik wel eens geprobeerd met een beginnersboekje bij de hand wat te oefenen op een gitaar, maar kramp in arm en schouders namen de lol al snel weg. Waarschijnlijk ben ik te fanatiek en verkrampen mijn spieren, of houd ik de gitaar niet goed vast. Als ik het goed wil leren, zal ik les moeten nemen. Dat plan heb ik al jaren, maar ja, werk en andere “hobbies” laten weinig tijd over om nog iets extra’s op te pakken. Daarom geniet ik maar van de muziek die anderen maken. Dat is minstens zo leuk, merkte ik de afgelopen week weer eens. Mijn echtgenoot was gevraagd om de rol van King Arthur te spelen bij Leerlingenorkest Honsels Harmonie. Gewoon, als koning en met wat tekst. Hij hoefde niet te zingen en met een muziekinstrument is hij net zo handig als ik, maar acteren kan hij wel. En natuurlijk ga je dan mee met je man als de uitvoering daar is. Nu verkeer ik niet in de omstandigheden dat ik me dan ook Koningin Guinevere mag noemen, dus ik ging als mezelf. Dat is wel zo prettig, want niemand springt voor je in de houding en je vangt de leukste gesprekken op als je je anoniem onder de mensen kunt begeven. Terwijl de zaal in gebouw De Voorhof in Honselersdijk langzaam volliep met ouders en kinderen, zat ik rustig om me heen te kijken. Achter mij hoorde ik een klein jongetje verwachtingvol aan zijn ouders vragen: ‘Mag ik straks op die trommel slaan?’ Een brommend geluid van de vader volgde: ‘Hij zit de hele week te drummen.’ Kennelijk was er iemand meegekomen die uitleg nodig had. ‘Overal zit hij ritmisch op te tikken.’ ‘O ja? Vroeg een dame aan het jongetje. ‘En waar drum je dan vooral op?’ ‘Op de vensterbank. En op de poef!’ antwoordde het jongetje enthousiast. ‘O, da’s makkelijk,’ vervolgde de damesstem. ‘Dan ben je gelijk het stof een beetje kwijt en hoef je ‘m niet meer schoon te maken.’ Een ideale vorm van multi tasken, zullen we maar zeggen. En veel leuker dan bijvoorbeeld ‘lucht gitaar spelen’. Daar schijnen hele wedstrijden voor georganiseerd te worden. Een poef geeft tenminste nog een beetje geluid.
Leerlingenorkest Honsels Harmonie gaf een concert over ridders en jonkvrouwen. Voor dirigent Jarmo van Venetië was dit zijn eerste concert. Met muziekstukken die door Koning Arthur werden aangekondigd werd het publiek rondgeleid in zijn koninkrijk en herkende men het ten strijde trekken van de ridders en het lieflijke dorps- en landleven in de Middeleeuwen. Natuurlijk met een geromantiseerd sausje erover, maar het is toch ontzettend gaaf, als muziek mooi is om naar te luisteren en tegelijkertijd een verhaal vertelt. Het klonk goed; complimenten voor het leerlingenorkest dat het publiek vermaakte. Complimenten voor dirigent Van Venetië. De kinderen luisterden ademloos naar het verhaal en de muziek. Groot was het enthousiasme achter mij toen er nog een toegift kwam van het korte programma. Eén van de kinderen klapte enthousiast in haar handen en riep: ‘Jááá, er komt nog een liedje!’ Wat een plezier; ik wist niet dat zo’n optreden zoveel losmaakte bij kinderen.
De leden van Honsels Harmonie hebben onlangs in zorginstelling De Naaldhorst gespeeld en basisscholen bezocht om de leerlingen kennis te laten maken met de instrumenten die zij bespelen. Honsels Harmonie gaf dinsdagavond 4 juni een open avond in het repetitielokaal, Achter de Bergen 6 in Honselersdijk. Ook ouders konden kennismaken en informatie inwinnen. Leest u dit na 4 juni? Kijk dan even voor meer informatie op www.honselsharmonie.nl. Voor kinderen zijn er tegen gereduceerde prijzen proeflessen te volgen. Altijd doen, zou ik zeggen.
Zelf geniet ik op die momenten dat het warm is en ik buiten kan zitten van het gitaarspel van mijn nieuwe buurman die oefent voor zijn band. Gelukkig speelt ie nog een genre waar ik van houd ook. Een paar huizen verderop woont een jonge knul die leert drummen. En daarnaast een buurman die ook oefent op zijn drumstel. Een eind verderop hoor ik ’s avonds wel eens een bandje in een tuindersschuur repeteren. Klinkt allemaal heel lekker, maar o, wat had ik dat ook graag gekund…

woensdag 19 juni 2013

Druk, druk, druk

Het afgelopen weekend heb ik een uitstapje buiten het Westland gemaakt naar de Tong Tong Fair in Den Haag. Dat bezoeken mijn man en ik al jaren, want Aziatische landen en gewoonten interesseren ons. Het is altijd lekker om na een drukke werkweek even iets te doen waarbij je aandacht volledig van je werk is afgeleid, zodat je weer kunt opladen voor de komende werkweek. We parkeerden onze auto aan de rand van Den Haag, want parkeren bij het Malieveld is met zo’n evenement vaak niet mogelijk. We pakten een tram en scanden onze OV-kaart. Althans, dat dachten we, maar het bleek dat we de kaart niet voor het scherm, maar onder het scherm moesten houden. Kunt u nagaan hoe vaak we met de tram ergens naartoe rijden… Een vriendelijke meneer wees ons de weg en zo konden we legaal richting Centraal Station rijden. Het was druk in de tram. Twee kleine meisjes zaten ongelooflijk hard te giechelen om alles wat ze zeiden. Ze konden geen minuut stilzitten. Hun luide gelach en drukke bewegingen waren doorlopend in de gehele tram waarneembaar. Een begeleidende dame genoot ervan en meende dat we dat allemaal ook nog eens moesten horen. ‘Lekker toch? Als twee jonge meiden zo om alles kunnen lachen? Heerlijk toch? Geweldig hè? Als dat jonge grut zo’n lol kan hebben…’ Ze ratelde maar door. Als het hun moeder was, dan zou me dat niet verbaasd hebben. Het voortbrengen van geluid en herrie zit hen waarschijnlijk in de genen, maar stilletjes verdacht ik de mevrouw ervan dat ze geen enkel overwicht op de drukke meisjes had. Enfin, al snel bereikten we ons doel: de Tong Tong Fair. We kochten kaartjes en wilden voor de voorstelling van Wieteke van Dort reserveren. Helaas, deze was al uitverkocht. Het was druk. Ook op de Fair zelf kon men over de hoofden lopen. Met moeite vingen we een glimp op van de kraampjes met leuke Oosterse hebbedingetjes en kleding. Het kostte keer op keer moeite om de uitgestalde waren van nabij te bekijken. Na een poosje wilden we onze vermoeide slenterbenen wel even wat rust gunnen en gingen we naar de Grand Bazar, alwaar een zangeres zou optreden. Zoals ieder jaar konden we vanuit de aangrenzende bar met een smakelijk Bintang biertje genieten van de optredens. Maar ook daar was het druk. In de zaal geen stoel meer vrij; men was een half uur voor het optreden al massaal gaan zitten. In de bar werden de enkele lege barkrukken voor mijn ogen weg geroofd door iemand die nog niet van delen had gehoord. Druk, druk, druk. Ik meende dat het optreden waarschijnlijk van een dermate kwaliteit moest zijn, dat men in rijen van drie voor de zangeres klaar was gaan staan. Dat viel echter een beetje tegen. Toch bleven we zitten op die ene barkruk die mijn man en ik afwisselend bezetten, zodat de vermoeide onderdanen later weer verder zouden kunnen. Op het podium werd een bejaarde dame naar de microfoon geholpen en in traag Indisch bedankte zij het publiek voor het applaus. Dat straalt in ieder geval wat rust uit, die Indische taal. Zelfs als men Nederlands spreekt in Indië, dan neemt men daar de tijd voor. Ik ben de gids in het paleis van de sultan nog niet vergeten, die van één tot en met negen telde om ons duidelijk te maken dat het niet de éééérste, niet de twééééde, niet de déééérde (en zo verder tot en met de achtste), maar de nééégende sultan was die het paleis had gebouwd. Kijk, daar kan ik nou van genieten. Vooral als zo’n gids dan vertelt, dat er nog een gebouw van later datum is toegevoegd aan dat mooie paleis. En dat dat niet gebouwd was door de ééérste, niet de twééééde, niet de déééérde (en zo verder tot en met de negende), maar door zijn zoon de tíende sultan. Niks geen drukte, niks geen haast, maar alle tijd. Dat vind ik nou lekker, heerlijk en geweldig beste mevrouw uit de tram. Van een hapje eten op de Tong Tong Fair kwam niets. De restaurants zaten vol. Na een uur zaten ze dat nog. Mijn man en ik besloten onze maaltijd in Delft te gaan nuttigen. Maar niet voordat we een half uur in de rij mochten staan voor de toiletten. “Tirima kasíííí,’ klonk het lijzig bij de uitgang. ‘Dank u wel,’ betekent dat. Met een glimlach knikte ik de dame die ons gedag zei toe: ‘Tirima kasííí!’ Het was weer leuk. En het is fijn dat in deze economisch moeilijke tijd de Fair zo druk bezocht werd. Toch hoop ik stiekem dat het volgend jaar wat rustiger is…

zondag 2 juni 2013

Nederland bestaat niet

Wie een tijdje buiten Europa is geweest, zal precies begrijpen wat de titel wil zeggen. Nederland bestaat niet! Journaals op televisies, krantenberichten, nieuwsberichten op de radio… er is er geen één die iets over Nederland heeft te melden. Zelf heb ik altijd het idee dat Nederland wereldwijd  heel wat heeft in te brengen en dat we ons zo’n beetje in het centrum van het universum bevinden. Echter hoe meer men richting evenaar reist, hoe meer het duidelijk wordt dat hier niets van klopt. Als je Amerikanen tegenkomt, moet je niet gek opkijken als ze denken dat Nederland de hoofdstad is van Denemarken. In grote delen van India is het zelfs voor de bevolking al moeilijk om te weten wat Europa is, stomweg doordat het ontbreekt aan onderwijs. In Australië weet men wel waar Nederland ligt, vanwege het feit dat men allemaal wel iemand kent die een Nederlander in de voorouders heeft. Maar als je naar hun nieuwsberichten kijkt, dan komt Nederland daar niet in voor. Wie ooit een vliegtuiglanding boven een miljoenenstad heeft gemaakt, zal waarschijnlijk hetzelfde gevoel hebben gehad als ik: Nederland is slechts een stofje op de kaart van onze wereldbol.
 
Tijdens onze vakantie in Indonesië werd het maar weer eens al te duidelijk. Let wel, Indonesiërs weten heel goed waar Nederland ligt. De meesten zijn beter op de hoogte van hun en ons koloniaal verleden dan wij. De jaartallen springen je om de oren als het over hun vaderlandse geschiedenis gaat en veel mensen spreken daar nog een mondje Nederlands of studeren onze taal. Ook Van Persië kennen ze. Voetbal is een bindende factor, want Nederlandse voetballers weet men overal op te sommen. Toch bestaat ook Nederland niet in Indonesië. Geen televisie, geen krant die over ons rept. Nederland is niet belangrijk; bij ons gebeurt er niets. Gelukkig had ik een smartphone bij me die iedere dag de hoogtepunten van het NOS journaal naar me stuurde. Anders zou ik toch bijna gaan denken dat ons kikkerlandje tijdens onze vakantie weggespoeld zou zijn door de Noordzee. Nee, iedere dag opende ik met belangstelling het NOS nieuws om mezelf op de hoogte te stellen van het wel en wee in mijn geboorteland.
 
Dat bericht startte uiteraard dagelijks met het meest belangrijke nieuws van die dag. Ten tijde dat ik in Indonesië was, stond de kroning van toenmalig prins Willem-Alexander op stapel. Nu zou u denken dat men over de crisis wel nieuws had te brengen. Of belangwekkende politieke verwikkelingen. Maar nee, wat had de NOS ons als voorpaginanieuws te melden? De verwikkelingen rondom het Koningslied… Iedere dag weer, drie weken lang. Gelukkig was Nederland niet weggespoeld. De crisis niet langer aan de orde. Werkeloosheid opgelost. Bedrijven florereerden kennelijk. Van onze pensioenen bleef men af. Met de zorg ging het uitstekend. Op politiek gebied geen nieuws te melden. (Dat laatste kan wel zo ongeveer kloppen, hahaha!) Het belangrijkste nieuws was de toon van het Koningslied die al of niet beledigend zou zijn. Als ik niet beter zou weten, dan leek Nederland niet te bestaan. Het geneuzel om het Koningslied paste meer in een sprookje, dan in een levensecht koninkrijk.
 
Toch ben ik blij dat ik Nederlander ben. Ook al betekenen we vrijwel niets op de wereldkaart en weet ik met mijn nuchtere Hollandse kop dat er wel degelijk iets gebeurt in Nederland. De vermissing van twee jongetjes zal geen wereldnieuws zijn. Maar de bereidheid van Facebookers en Twitteraars om mee te helpen met het verspreiden van opsporingsberichten verdient naar mijn mening een medaille. De kordate houding van mensen die spontaan mee gaan zoeken, is onbetaalbaar prijzenswaardig. De bereidheid van de politie om dit te begeleiden is ook het vermelden waard. Een afwijzing zou hier beslist niet op z’n plaats zijn geweest. Nee, laat mij maar in Nederland wonen. Dat piepkleine landje dat zich soms op een ongelukkige wijze naar buiten toe presenteert, maar waar mensen nog wel gevoel in hun donder hebben. Voor mij tellen dit soort grootse daden mee, ook al hoort men daar in het buitenland weinig tot niets van. Dan maar wat minder bekendheid voor dit stofje op aarde. Toen ik dit schreef, was het zondag 12 mei 2013. Moederdag. Ik hoopte van harte dat de afloop van de zoektocht positief zou zijn. Helaas tevergeefs…