zaterdag 19 oktober 2013

Van Westlandse druiven naar Griekse Retsina

Vorige keer schreef ik over een immigrante uit Oost Duitsland, die zich heeft gevestigd in het Westland. Ze volgde haar hart en stichtte met (Westlandse) man een gezin. Vond haar draai in onze taal en cultuur en is volledig ingeburgerd. Maar andersom komt natuurlijk ook voor. Zo kwam ik via Facebook een oud-collega tegen die ik jarenlang uit het oog was verloren. Niet vreemd, want zij woont hier al lang niet meer. Groot was mijn enthousiasme toen ik weer contact met haar kreeg. We besloten elkaar te ontmoeten. Niet in het Westland maar op het Griekse Kreta, haar nieuwe ‘thuisland’. We spraken elkaar bij haar thuis en gingen een paar dagen later met haar mee de bergen in. Ze vertelde een bijzonder mooi levensverhaal, dat ik graag met u wil delen…
‘Ellááá’!’ klonk het vanaf een Grieks terrasje in Agios Nicholaos op Kreta. Verbaasd keek Ella Boon om zich heen om te kijken wie haar riep. Nogmaals klonk het: ‘Ellááá!’ En toen zag ze hem zitten. Een Griekse man met lang haar en een snor. Hij gebaarde dat ze dichterbij moest komen, wat ze aarzelend deed. ‘How do you know my name?’ vroeg ze hem. Hij keek haar vragend aan. ‘”Ella” means “come to me”,’ verklaarde hij. ‘Come, sit down and have a drink.’ Ella legde hem uit dat haar naam Ella luidde. Hij keek haar ongelovig aan, maar toen ze haar armbandje toonde waar haar naam op stond, geloofde hij haar. Ze konden er hartelijk om lachen. Ella nam plaats op het terrasje, samen met de vriendin waarmee ze op vakantie was. Ze kon toen nog niet weten dat dit het begin was van een enorme verandering in haar leven. Eén ding is zeker; als de ouders van Ella haar ‘Jolanda’ hadden genoemd, of ‘Petra’… dan had haar toekomst er heel anders uitgezien.
Dit verhaal start zo’n 28 jaar geleden, toen Ella Boon uit Monster net de stomerij van haar vader had overgenomen. Ze had kort daarvoor een relatie achter de rug en was toe aan vakantie. Die boekte ze samen met een vriendin. ‘Even geen mannen, daar was ik op dat moment wel een beetje klaar mee,’ aldus Ella. Toen de knappe Griekse man op het terras aangaf dat hij wel met de dames wilde gaan waterskiën, was Ella dan ook zeer duidelijk. Ze wilde dolgraag waterskiën, want dat was één van haar hobby’s, maar daar wilde ze gewoon voor betalen. Geen ‘gedoe’ en alleen maar lol maken. En daar hield Manuel zich aan, want dat is de naam van de man. ‘We zijn met een groep gaan waterskiën en hebben een fantastische vakantie gehad.’
Ella vertrok weer naar Nederland en stortte zich enthousiast in haar stomerij op het werk. Het najaar viel in en het werd kouder. Met Manuel onderhield ze telefonisch contact. Op een dag rinkelde de deurbel van haar zaak en er kwam iemand binnen. Ella keek op. Daar stond Manuel! ‘Op dat moment dacht ik “shit, hij meent het!”.’ Achteraf gezien werd ik toen pas echt stapelverliefd,’ vertelt ze. ‘Dat hij die hele reis had gemaakt om mij terug te zien…’
Ella en Manuel kregen dus een serieuze relatie. Ze probeerden in Nederland allebei een bedrijf te voeren. Ella de stomerij en Manuel wilde in en met marmer gaan werken. Dat laatste lukte echter maar moeilijk. Het bedrijf was moeilijk op gang te krijgen en bovendien kreeg Manuel heimwee naar het warme Griekenland. De keuze om met Manuel mee te gaan was geen eenvoudige. ‘Ik had immers net de stomerij van mijn vader overgenomen,’ vertelt Ella. ‘Dat laat je niet zomaar even achter.’ Gelukkig bood Ella’s vader uitkomst. Hij stelde voor dat Ella het voor een half jaar zou gaan proberen in Griekenland. In de tussentijd zou hij de zaak in Monster voortzetten. Na dat half jaar ‘proeftijd’ zouden ze opnieuw bekijken wat te doen. En Ella vertrok naar Griekenland. De eerste twee maanden woonden ze in Athene. Daarna vertrokken ze naar Kreta, om precies te zijn Rethimnon. Manuel had haar inmiddels ook een voorstel gedaan. Tijdens een autorit zei hij: ‘Me think, You marry me!’ ‘Niet bepaald romantisch,’ lacht Ella, maar het idee stond haar wel aan.
Het half jaar was al snel voorbij. Ella had het prima naar haar zin op Kreta met haar Manuel. Ze deed haar best de Griekse taal te leren. En Manuel slaagde in Griekenland beter met zijn marmerbedrijf dan in Nederland. De zaken liepen goed, want aan Manuel was gevraagd of hij de kapel in het centrum van Rethimnon wilde tegelen met marmer. Slechts weinigen beheersten de techniek om “rond” te tegelen en Manuel kon dat uitstekend. Die techniek had hij geleerd tijdens werkzaamheden aan paleizen in Saoudi Arabië. Toch bleef Ella’s vader nog voorzichtig en hij stelde voor er nog een half jaar proeftijd aan vast te knopen. Ook dit half jaar zou hij de stomerij nog blijven runnen. Mocht Ella zich alsnog bedenken, dan kon ze meteen terugkeren in haar zaak. Ella stemde in en een nieuwe proefperiode ging van start. (wordt vervolgd)

Strandwandeling

Vaak ga ik op zondagochtend met een vriendin een stuk wandelen op het strand. Deze vriendin komt oorspronkelijk uit Oost Duitsland en is nog opgegroeid in de tijd van ‘vóór de val van de muur’. Aan sommige dingen kun je dat merken. Hoewel ze al lange tijd in Nederland woont met haar Nederlandse gezin, zijn niet alle cultuurverschillen weggeslepen. Ze is zeer gedisciplineerd, maar goed, dat beweert men van alle Duitsers. Ze is echter niet alleen gedisciplineerd, maar ook punctueel. Als ze één minuutje later komt dan we hebben afgesproken, maakt ze haar excuses, terwijl ik nog lang niet het gevoel heb dat een afspraak niet zou zijn nagekomen. Ook vindt ze het belangrijk dat iedereen een bijdrage levert aan de maatschappij. Zonder onderscheid van mannen en vrouwen. Nu vinden de meeste mannen en vrouwen in Nederland dat zeer waarschijnlijk ook, maar ik heb het nog nooit zo nadrukkelijk uit horen spreken. Voor mijn vriendin is het belangrijk dat een vrouw werkt en actief deelneemt in de samenleving. Ze groeide op in een cultuur waarin het gewoon was dat vrouwen fulltime werkten en kinderen naar de crèche gebracht konden worden, in een tijd dat het woord ‘kinderopvang’ voor ons nog bedoeld was voor een enkeling. Als je een studie hebt gevolgd, dan moet je die kennis ook benutten, meent zij. En dat doet ze dan ook. Met een arbeidsethos die past binnen de Westlandse mentaliteit. Een immigrante die werk heeft gemaakt van haar inburgering en zich nu al jaren als een vis in het water beweegt in onze cultuur. Een leuke vrouw, die vriendin van mij. Ze is aardig, vrolijk, slim en zeer opmerkzaam. Het is iedere week weer een feest om met haar op pad te gaan. Elke wandeling sta ik er weer versteld van wat ze allemaal ziet. Waar ik de gewoonte heb om al wandelend in mezelf te keren, roept zij me iedere keer weer bij de les. Behalve die ene keer dat ik bijna in een kuil struikelde. Toen ik foeterend refereerde naar de rare gewoonte van Duitsers om kuilen op onze stranden te graven, kon ze er smakelijk om lachen. Gelukkig heeft ze ook een goed ontwikkeld gevoel voor humor. Zoals ik al opmerkte, roept ze me regelmatig bij de les. Dan heb ik het over wat ze allemaal op het strand ziet liggen. Ongelooflijk wat zij al heeft gevonden. Haaientanden, potscherven, botten van misschien wel mammoeten, de mooiste schelpen, echt van alles. Ze weet het verschil tussen een stuk hout en een bot. Ik zie dat niet direct, maar zij wel. Een tijdje geleden zag ze een draad liggen. Ze trok eraan en onder het zand vandaan verscheen een lange vislijn met een aantaal vervaarlijke haken eraan. Verontwaardigd zei ze dat dat onveilig was voor kleine kinderen en kordaat stapte ze met het visspul naar een vuilnisemmer. Even later wees ze me op overvliegende vogels: ‘Kijk, die ene vogel heeft een streep over zijn buik en die andere niet.’ Ondertussen bewondert ze de golven en Hollandse luchten die iedere week weer anders ogen, maakt daar foto’s van en onderzoekt of ze nieuwe dingen ziet bij de zandmotor waar ze over in de krant heeft gelezen. Bekijkt bij de strandopgang de waterstanden en –temperatuur. Ze is in mijn ogen een natuurmens. Deinst nergens voor terug. Zo vond ze in het voorjaar een jonge vogel in een voortuintje in Ter Heijde. De vogel zat met een pootje verward in iets wolachtigs. ‘Ach, dat jonge beestje kan zo niet vliegen met al dat gewicht aan zijn pootje.’ Ze stapte resoluut met één been over het tuinhekje en pakte de vogel op alsof het haar dagelijks werk was. ‘Pas op,’ riep ik verschrikt, ‘straks pikt ie je.’ Mijn schrik was voor niets, ze had het diertje zodanig vast dat het daartoe geen kans kreeg. Met haar andere hand plukte ze de pluizen uit zijn pootje en ik besloot voorzichtig een handje te helpen. ‘Dat zijn de ouders die je daar hoort,’ zei ze, terwijl ze onverstoorbaar voortging met haar hulp aan het jonge vogeltje. Toen pas hoorde ik het gekras van volwassen vogels boven onze hoofden. Als zij me er niet op zou wijzen, zou ik dat niet hebben opgemerkt. Ze liet het vogeltje weer los toen het van zijn last bevrijd was en vertelde dat het een jonge kraai was. Die veroorzaakten veel overlast, meldde ze. Ook kent ze veel namen van de watervogeltjes die ze bij de zee ziet. In het najaar maken we ook wel eens een wandeling in het Staelduinse bos en wijst ze me op paddenstoelen. Ze noemt de namen en vertelt of ze wel of niet eetbaar zijn. ‘Dat wéét ze allemaal,’ denk ik dan. Hoe? Dat heeft ze van jongs af aan geleerd en ze herinnert zich dat ze eetbare paddenstoelen plukte toen ze jong was. Alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. En dat is het eigenlijk ook. Want waarom leerde ik op de basisschool dat alle paddenstoelen giftig waren en dat je daar beslist niet aan mocht komen? (Wat ik overigens wel uitprobeerde door ze aan te raken, maar proeven durfde ik niet). Waarom leerde ik dat de zee een gevaarlijke kwallenbak was met enge stromingen waarin je kon verdrinken? Geen idee wat me dat moest opleveren, maar gelukkig ben ik op tijd met andere ogen gaan kijken naar dit prachtige stuk natuur dat zich langs onze kust uitstrekt. Dankzij mijn bijzondere ‘natuurvriendin’ kan ik daar veel meer van genieten dan vroeger.

zondag 8 september 2013

Contact

Het valt me de laatste tijd steeds vaker op dat verkeersdeelnemers aan hun mobiele telefoontje vastgeplakt zitten. En dan heb ik het met name over fietsers en wandelaars. Waar de Rijksoverheid heeft besloten dat “u een mobiele telefoon niet mag vasthouden (handheld bellen) tijdens het besturen van een motorvoertuig, bromfiets, snorfiets of gehandicaptenvoertuig met een motor. (Het klemmen van de telefoon tussen uw oor en schouder is ook verboden)”, heeft men fietsers en voetgangers vergeten. Die bellen en sms-en er dan ook lustig op los. Ik werd er onlangs weer eens op gewezen door een Hongaarse collega waar ik mee op stap was. Met stijgende verbazing keek de man naar - vooral - de jeugd die al fietsend tekstberichtjes stuurde of met een hand aan het oor vastgeplakt zat. Het was duidelijk te zien dat er geen aandacht meer was voor het verkeer. Met losse handen rijden en sms-en is wel de meest acrobatische handeling die ik onlangs waarnam. Normaal gesproken let ik er niet zo op, maar nu ik erop geattendeerd werd, valt het me plotseling op. Fietsers, voetgangers, ja zelfs een hardloopster rende dit weekend al bellend langs mijn woning. Onlangs moest ik met mijn auto keihard ‘in de ankers’ om een bellende fietser te vermijden, die geen voorrang had, maar gezien de wetgeving in Nederland voor iedere automobilist een bedreiging vormt. Blijkbaar is het enorm belangrijk dat we voortdurend contact met elkaar hebben. En het maakt ook niets uit of anderen horen wat er wordt gezegd. Enige gêne over persoonlijke zaken kent men niet meer, immers bellen in de bus of trein, waarin hele gesprekken gevoerd worden over familieperikelen, echtscheidingen, kinderen tot en met de aanschaf van lingerie… iedereen mag het weten. Ik heb zelfs een keer meegeluisterd naar een manager die in de trein een medewerkster telefonisch haar vertrouwen opzegde, omdat ze iemand anders dan de bewuste manager had geraadpleegd. Dat zegt meer van de manager dan van de persoon aan de andere kant van de lijn, maar dat had de dame in kwestie niet in de gaten; iedereen luisterde mee. Tegenwoordig kan men alle gesprekken in het openbaar voeren en daar is zelfs niet altijd een telefoon voor nodig.
Zo zaten mijn man en ik vorige week een hapje te eten op het marktplein in ’s-Gravenzande. Een aanrader overigens, want dat is een heel gezellig plein. Het vrij nieuwe Mexicaanse restaurant beviel ons goed. We zaten rustig te genieten van onze maaltijd, toen er een meisje van een jaar of 13 langsfietste. Ze stopte vlakbij ons en schreeuwde keihard over het plein ‘Saráááá’! Ik moet je wat vertellen!’ Ik kon van schrik nog net de guacamole op mijn nacho opvangen die er dreigde af te vallen na deze brute verstoring. Mijn man verslikte zich bijna in zijn Corona en zette bruusk het flesje weer op tafel. Ik voelde al aankomen dat de rust op het plein van genietende mensen die rustig en beschaafd binnen de perken van hun tafeltje in gesprek zijn, langdurig verstoord zou worden. Sara zat een stukje achter ons met haar gezinsgenoten te eten. ‘Hééé Sophie!’ gilde ze terug en ze maakte aanstalten om op te staan. Haar vader sputterde tegen en vroeg of ze het kort wilde houden. Puberaal uitdagend stond ze lijzig op en liep ze Sophie tegemoet. Het nieuwtje van haar vriendin was veel belangrijker dan een gezellig etentje met haar ouders en broertjes. Ik kan u zeggen dat we weer helemaal op de hoogte zijn van de wedervaardigheden van Sophie en ene Jayden. Verwikkelingen met andere meisjes, flirts met andere jongens, veel gegiechel en geroddel verder, besloten de ouders van Sara toch maar om af te rekenen en te vertrekken, want dochterlief was niet te bewegen aan tafel terug te keren. Zelfs niet om haar ouders te volgen die duidelijk geïrriteerd vertrokken.
Iets soortgelijks gebeurde op de braderie in De Lier, waar manlief en ik een smakelijk kippetje verorberden. Gezeten naast buren die we aantroffen en die daar ook gezellig waren neergestreken. Tegenover ons zat een groep jongeren, die we vroeger als corpulent zouden hebben betiteld, maar ik durf nu wel te zeggen dat ze dik waren. Obesitas zou ook een passende term zijn. Op hun tafel stonden zeker 20 biertjes. Twee vrouwen bespraken de toestand van hun lichaam. Dat was niet nodig geweest, want er viel niet veel meer te verhullen. Toch meenden de vrouwen luid en duidelijk over hun dikke tieten en vette reet te moeten spreken. Sorry, voor het taalgebruik, maar het werd door hen niet anders geformuleerd. Ze keurden elkaar alsof het een wedstrijdje ‘wie is hier het vetst’ was. Moddervet in hun geval. ‘Whahaha,’ schreeuwde de ene vrouw. ‘Jij vindt mij niet dik?! Hebbie wel ’s naar mijn vette reet en dikke tieten gekeken dan!’ De kip kon ik deze keer gelukkig nog voor ik me verslikte wegwerken. Zachtjes fluisterde ik naar mijn buurvrouw: ‘Ik voel hier weer een column opkomen.’ Glimlachend antwoordde zij: ‘Dat zal dan nog een hele kunst worden om die boeiend te houden…’ En gelijk heeft ze. Het interesseert de meeste mensen namelijk helemaal niets (‘geen reet’ voor diegenen die de taal van de braderiebezoeksters spreken) hoe het met vriendjes en de fysiek van omstanders is gesteld. Stuur wat mij betreft dan toch dat sms-je maar. Maar dan zittend op een terrasje en niet als verkeersdeelnemer graag.

Herinneringen

Het was 25 september 1968. Ik was 9 jaar en de wereld lag nog voor me open. De vierde klas van de toenmalige Openbare Lagere School in Naaldwijk, gelegen aan de Koningstraat, was net gestart na een heerlijke zomervakantie. Gelukkig had ik geen hekel aan school en een rotsvast vertrouwen in iedereen die me wijzer kon maken. De meesters en juffen waren nog heilig en wijs; ze hadden er flink de wind onder en ik denk dat ik geen lastige leerlinge was. Een beetje een dromer, dat wel. In mijn fantasie kon van alles gebeuren. Ik droomde ervan dat ik later net zo leuk zou kunnen schrijven als Annie M.G. Schmidt wier boeken ik verslond. En ik had ook zomaar met een prins kunnen trouwen en prinses kunnen worden. Dat laatste idee kreeg weer wat vastere vormen op die 25e september, toen er in de klas officieel werd medegedeeld dat er weer een prinsje was geboren. Wat een feestgevoel maakte zich van mij meester. Dat opende weer perspectieven. Dat de nieuwe prins 9 jaar jonger was, maakte mij niet uit; dat ik niet in de kringen van het Koningshuis verkeerde ook niet, immers alles was nog mogelijk. Die week zat ik aan de beeldbuis gekluisterd, om te zien of de nieuwe prins te zien zou zijn. En ja hoor, mijn geduld werd beloond. Ik herinner me dat prins Claus hem toonde aan een aantal heren die strak in het pak zaten. De baby lag in een wit gewaad op een kanten kussen. De streng ogende mannen toonden zich ineens van een andere kant en probeerden vertederd het kleine mannetje aan te raken. Ze aaiden behoedzaam met vingers over handjes en wangetjes. Zijdezacht zijn die bij pasgeboren baby’s, ik kon daar bij mijn eigen kroost later ook nooit van afblijven en nu eigenlijk nog niet als ik een nieuwe wereldburger zie. Prins Claus stond een beetje onhandig met dat kussen in de handen en het prinsje sliep rustig door al dat rumoer heen. Trots openbaarde prins Claus de namen van zijn tweede zoon: Johan Friso Bernhard Christiaan David. Roepnaam: Friso. Als klein meisje fantaseerde ik een mooie toekomst met een prins aan mijn zijde. Ik tekende alvast grote kastelen met rood-wit-blauwe vlaggen en kantelen. Dat zou mijn toekomstige woning worden.
Het is allemaal ‘een beetje’ anders gelopen. Een andere prins op een wit paard kruiste mijn pad en een toekomst met een lid van het Koningshuis werd daardoor resoluut van mijn wensenlijstje geschrapt. Ik zou er nu niet aan moeten denken in hun schoenen te staan. Met mijn prins aan mijn zijde – en later met onze kinderen aan de hand - hebben we al vele Koninginnedagen gevierd, vrijmarkten bezocht en gekeken naar de beelden van de prinsen die ook gezinnen stichtten. Herdenkingen bijgewoond en Bevrijdingsdagen gevierd. Niet overdreven, maar het zijn toch de feestdagen die bij onze cultuur horen. Ik ben geen Oranjegezind persoon die hen dagelijks op de voet zal volgen of de roddelbladen leest. Ook andere bladen over het Koningshuis bereiken mijn woning niet. Maar zo nu en dan wappert de driekleur aan de gevel van ons huis. (De kantelen hebben we bij nader inzien maar laten varen…) Of je het nu wilt of niet, het Koningshuis maakt deel uit van ons leven.
Groot was mijn schrik toen ik anderhalf jaar geleden vernam dat prins Friso een ski ongeluk had gehad. Hij zou niet meer ontwaken uit een coma. Ook nu wilde ik niet als een soort rampentoerist het nieuws over hen volgen, maar als moeder, echtgenote en burger van Nederland bloedde mijn hart. Ik had enorm te doen met zijn naaste familie en vrienden. Het naïeve kleine meisje van 9 jaar zat nog ergens diep onder mijn huid verborgen, want tegen beter weten in hoopte ik stilletjes op een wonder dat ervoor zou zorgen dat de prins tóch beter zou worden. Het mocht niet zo zijn. Maandagmorgen 12 augustus 2013 overleed prins Friso.
Op een gepaste wijze, in de geest van het karakter van de ingetogen prins, namen familie, vrienden en burgers afscheid van Friso. Condoleanceregisters werden geopend, zo ook in het Westland. Iets minder gepast vond ik de publicatie in één van de regionale bladen over de reactie van het Oranje Comité. Een woordvoerder van dit Comité werd gevraagd of er van hun kant nog iets werd georganiseerd. ‘Zo Oranje gezind zijn we nu ook weer niet,’ luidde het antwoord. Nu weet ik als geen ander dat publicaties niet altijd exact verwoorden wat iemand heeft bedoeld te zeggen en dat hoop ik in dit geval dan maar. Als het echter als een grapje bedoeld was, dan meen ik dat het een misplaatste grap is. Een lid van het Oranje Comité dat de organisatie van evenementen op Koninginnedag, 4 en 5 mei en een deel van de Westland Reünie zou zich toch achter de oren moeten krabben als hij zelfs niet een klein beetje Oranje gezind was. Of wellicht wat empathie zou kunnen tonen met die mensen die dat wel zijn, of die ergens met hun gevoel van rouw naartoe willen. Wie een kijkje op de website van het Oranje Comité neemt, ziet zelfs het eerste couplet van het Wilhelmus staan voor diegenen die het nog niet kennen, maar het ook eens mee willen zingen. Een link naar het condoleanceregister van de gemeente Westland ontbreekt echter en dat had mijns inziens toch wel het minste geweest wat geregeld had kunnen worden. Ik zal het wellicht verkeerd begrepen hebben en wil me niet ergeren aan dit soort reacties. De beelden van de kleine prins Friso op dat enorme witte kussen, later spelend met zijn broers, de beelden van zijn veelomstreden huwelijk, de beelden van zijn vrouw, dochtertjes, moeder en broers die intens verdrietig zijn, staan zonder een Westlands herdenkingsmoment ook wel in mijn geheugen gegrift. Misschien doe ik daar met deze herinneringscolumn als Westlander dan nog een beetje recht aan.

zondag 25 augustus 2013

Komkommer- en kweltijd

Komkommertijd heeft niets te maken met de oogsttijd van Westlandse komkommers. Het betekent dat we qua nieuwsberichten weinig te melden hebben, omdat velen op vakantie zijn. Berichtjes die anders nooit de krant halen, omdat het nieuwsgehalte laag is, bereiken nu plotseling wel de krant. En berichtjes die wel nieuwswaarde hebben, worden zodanig uitgekauwd, dat ze een ware kwelling voor de krantenlezers worden. Een mooi voorbeeld daarvan is het bericht over een dode wolf in Nederland. Deze werd begin juli aangetroffen in Luttelgeest. Zomaar in de Noordoostpolder. Inmiddels zijn we zes weken en vele nieuwsberichten verder. Een korte opsomming: een dode wolf werd aangetroffen in Luttelgeest. De oorzaak van de dood werd onderzocht. De wolf was doodgereden. Het was de vraag of de wolf daar door een grappenmaker was neergelegd of dat ie zelfstandig naar Nederland was komen wandelen, alwaar hij onder een auto belandde. Er is twijfel bij een wolvenkenner die meent dat een wolf niet helemaal naar Nederland komt lopen. De wolf blijkt een ‘zij’ te zijn. Er wordt onderzoek gedaan om vast te stellen of de wolf is meegenomen vanuit het buitenland of niet. Conclusie: de wolf is niet meegenomen, maar zelfstandig naar Nederland gekomen. ‘Hehe,’ dacht ik. ‘Eindelijk is het wolvenverhaal ten einde.’ Maar nee hoor, een dag later volgde weer een nieuw bericht: er moet een wolvenplan komen! Zo’n wolf is immers hartstikke gevaarlijk en als er één wolf over de grens is, dan volgen er meer. Denkt men, want dat is namelijk helemaal niet zeker. IJverige ambtenaren van de rijksoverheid bestellen en ontwikkelen een wolvenplan aldus het krantenbericht, zodat we goed voorbereid zijn op die gevaarlijke schepsels die wel eens onze bossen en polders zouden kunnen bevolken om onze schapen, geiten en pluimvee te doden. ‘Klaar,’ dacht ik nog. ‘Er is een wolvenplan besteld, omdat we één dode wolf hebben aangetroffen en nu komt alles goed!’ We kunnen de ruimte in de kranten weer aan wereldnieuws besteden.’
Niet dus. Want wat lees ik een dag later? De gemeente Noordoostpolder wil overleg hebben over het wolvenplan. En waarom? Niet alleen schapen, geiten en pluimvee lopen gevaar, maar de inwoners worden er ook onrustig van. Wie zich het liedje ‘Dodenrit’ (trojka hier, trojka daar) van Drs. P herinnert zou dan ook akelig bang worden. O, u weet niet goed meer hoe dat afliep? Ik zal uw geheugen even opfrissen: het nummer verhaalt over een Russisch gezin dat met de trojka op weg is naar Omsk. Het gezin bestaat uit de zanger, zijn vrouw, en hun vier kinderen. Igor (speelt viool), Natasja (leert zo goed op school), Sonja (heeft een mooie alt) en de kleine Pjotr. De reisgenoten zingen er lustig op los, maar worden tijdens hun tocht plots achtervolgd door hongerige wolven. Aan het begin van het lied bedraagt de afstand naar Omsk nog 100 werst en de vader besluit een voor een zijn kinderen en ook zijn vrouw op te offeren aan de dieren in de hoop zelf veilig in Omsk aan te komen. Aan het einde van het lied komt de stad in zicht en maakt de man uit blijdschap een sprong in de lucht. Hierbij verliest hij zijn evenwicht en valt zo eveneens ten prooi aan de bloeddorstige wolven. Hij besluit met de zin: ‘Dat is pech! Omsk is een mooie stad, maar net iets te ver weg.’ Het nummer gaat hierna nog een tijd verder met verschillende grappige rijmen op "Trojka hier, trojka daar" die niets aan het verhaal toevoegen ("moeder is de koffie klaar?"...)
Nu verhaalde de krant, dat de wolf een beschermd dier is. We mogen beschermde dieren niet doodschieten. Ik vraag me dus af wat er in dat wolvenplan komt te staan. Moeten we schapen, geiten en pluimvee op gaan sluiten? Zelf binnen blijven, zodat al die hongerige wolven ons niet te grazen kunnen nemen? Ik ben erg benieuwd. Totdat het wolvenplan aan ons geopenbaard wordt, moet u zelf maar bekijken hoe u gezin, lijf en leden beschermt in dit steeds gevaarlijker wordende landje. Ik raad u tot die tijd aan niet de trojka te nemen, als u naar buiten wilt. Gewoon de auto pakken. Mocht u onderweg een hongerige roedel wolven tegenkomen, dan rijdt u ze gewoon per ongeluk dood. En als dat tijdens uw vakantierit gebeurt, neem de dode dieren dan gerust mee en leg hen ergens op een landweg in een bos. Ver weg in het buitenland graag. Dan zijn wij tenminste verlost van die komkommer- en kweltijdberichten…

zaterdag 10 augustus 2013

Varend Corso After Party

Ook dit jaar heb ik weer volop genoten van het Varend Corso. U ook? Lekker zittend aan de waterkant, manlief aan mijn zij, drankje erbij, hapje erbij. Gezellig meeklappen met de muziekboten en genieten, genieten en nog eens genieten van al die pracht en praal. “Durf(t) te dromen” luidde het thema dit jaar. Wie heeft ze niet, dromen van datgene wat je het liefste zou willen in je leven. Dat is voor iedereen weer iets anders, bleek maar weer eens uit het corso. Terwijl kinderen dromen van nieuw speelgoed, dromen ouderen van heel andere dingen. Van dromen over een mooie japon tot en met in bad gaan met pornoactrice Kim Holland. Die laatste kwam gezellig even langs bij de opening om “haar” boot te bekijken en zichzelf te laten bekijken. De Monsterse buurtvereniging Poeldijkseweg die dit onderwerp had bedacht, heeft de grootste lol gehad bij het beramen van hun plannetjes. De meningen over het bezoek van Kim waren overigens enigszins verdeeld. Het is juist dan geweldig leuk om de reacties van het publiek te beluisteren. ‘Ze rollen er zowat uit!’ siste een vrouw naast mij met een afkeurende blik op de boezempartij van Kim. Die stevige boezem bleef echter keurig netjes in haar blauwe jurkje zitten. Geen Janet Jackson-achtige blote-borst-taferelen dus in de feesttent van het Varend Corso. ‘Nou, daar wil ik wel eens een beschuitje mee eten,’ fluisterde een man voor mij. ‘t Kost wat, maar dan hebbie ook wat’, zei een andere man grinnikend, ‘in ieder geval houvast.’ En hij wiep haar steels een kushandje toe. Of het door de warmte kwam, weet ik niet, maar zijn wangen kleurden flink en het zweet parelde op zijn voorhoofd, toen Kim hem een schalks knipoogje terug gaf. Meteen daarna kreeg hij een por in zijn zij van wat kennelijk zijn echtgenote was. ‘Gedraag je Gerard, allemaal siliconen’. ‘Hilarisch,’ dacht ik bij mezelf. Wat mensen ook van haar mogen denken, ze is beroemd en - met alle respect - een vakvrouw. Misschien heeft zij haar dromen wel waargemaakt.
Varend Corso “Openares” (citaat voorzitter Kees Mostert) Marja van Bijsterveldt had zich iets warmer aangekleed dan Kim. Ik begrijp dat ze gekleed voor de dag wil komen bij de opening van het corso, maar toen ik haar zag staan in een lange broek, shirt en colbert met lange mouwen bij een temperatuur van 35+ graden Celcius in de broeierige evenemententent, kreeg ik een beetje medelijden met haar. Van mij had dat wel iets luchtiger gemogen. Maar ja, ook zij was in functie en dan past een mens zich aan. Als directeur van het Ronald McDonaldfonds en voormalig minister voerde ze enthousiast het woord. ‘Zou zij ook haar dromen waargemaakt hebben?’ vroeg ik me af.
Om daar even op terug te komen: zo’n thema zet mij altijd weer aan het denken. ‘Heb ík mijn dromen waargemaakt? Wat zou ik nu het liefste willen?’ Ik weet niet of u tijdens zo’n mooi zonnig weekend daar ook wel eens over nadenkt, maar ik wel. Ik herinner me dat ik die vraag als klein meisje al eens stelde aan mijn grootmoeder: ‘Oma, wat zou u nou het liefste willen.’ ‘Niets,’ antwoordde ze. ‘Ik ben gezond en dan ben je een rijk mens. Meer hoef ik niet.’ Nuchter en voor een klein meisje best wel een teleurstellend antwoord, want wees eerlijk, een klein kind begrijpt nog geen snars van zo’n antwoord. Ik had zelf wel een sprookjesprinses willen zijn, dus het had mij beter uitgekomen als oma dan de koningin was. Nu kijk ik daar anders tegenaan. Ze had gelijk; gezondheid is een groot goed, dat voor sommigen een droom lijkt, terwijl het door anderen als vanzelfsprekend wordt aangenomen. Goed om daar eens over na te denken. Maar waar droom ik nu eigenlijk van? Wat ging er door me heen daar aan die waterkant? Helaas moet ik u teleurstellen als u een hoogdravend antwoord van mij verwacht. Want ik vrees dat ik hetzelfde ga zeggen als mijn grootmoeder toentertijd: ‘Niets, ik ben gezond en dan ben je een rijk mens.’
Na het Varend Corso te hebben bewonderd, gingen we weer naar huis. Er moesten boodschappen gedaan worden en de temperatuur was behoorlijk hoog. Mooi weertje om te barbecueën. Dat doen wij niet vaak, maar deze dag leende zich er uitstekend voor. Toen ik ’s avonds met mijn gezin in de tuin zat te eten, dacht ik opnieuw aan het corso en aan het thema “Durf(t) te dromen”. We bespraken wat we nu het leukste vonden en probeerden elkaar te overtuigen van “de mooiste boot”. Dat viel nog niet mee, want er waren veel toppers bij dit jaar. We schonken een glaasje wijn in en genoten van ons eten, het mooie weer en elkaars gezelschap als in een Varend Corso After Party. ‘Dit is het,’ dacht ik ineens. ‘Dit gevoel is als een droom. We zijn gezond, we kunnen zorgeloos genieten langs de Westlandse wateren, we eten en drinken wat in een gezellige sfeer. Meer hoef ik niet, dit is waar ik van droom.’ Hoe de toekomst verloopt, weet niemand. Maar op zo’n moment besef ik dat mijn droom al is uitgekomen…

dinsdag 6 augustus 2013

Rust

Nu de zomervakantie is begonnen, lijkt de rust neergedaald in het Westland. ‘Lijkt’, want ondanks het terugschroeven van subsidies, zijn er nog leuke activiteiten gaande voor de jeugd. Toen ik onlangs langs de Wollebrand fietste, zag ik tot mijn grote genoegen stapels pallets op het gras liggen. Vele houten pallets die daar lagen te wachten op kinderen die er mooie hutten van gaan bouwen. Bent u daar wel eens een kijkje gaan nemen? Het is geweldig leuk om te zien hoe kinderen hun eigen paleisje bouwen. Lekker bezig in de buitenlucht, samenwerkend, spelend en verhalen verzinnend. Mooier kan het niet in mijn ogen. Dankzij sponsor Koornstra is dit nog mogelijk, waarvoor complimenten! En al die vrijwilligers die zich inzetten om het de jeugd naar de zin te maken, eveneens: complimenten!
Ook in de zwembaden en langs de stranden was het lekker druk de afgelopen week. Eindelijk genoeg zon voor een (zonne)bad. Hele gezinnen trokken in grote getale naar de stranden langs onze kust. Ik heb het met stijgende verbazing bekeken, want ik bevind me regelmatig voor een flinke wandeling op het strand tussen Kijkduin en ’s-Gravenzande. Van een afstandje bekeken, leken het wel mieren die in drommen met allerlei stoeltjes, tassen, speelgoed, zonneschermen en weet ik veel wat we nog meer meesjouwen om het onszelf naar de zin te maken, naar het strand gingen. Ik herinner me de tijd dat een handdoek, een boek en een flesje zonnebrandolie voldoende waren om hele middagen met plezier op het strand te liggen. O ja, en niet te vergeten een plastic zakje met een paar boterhammen. Dat kon zo heerlijk tussen de kiezen knarsen, als je met je zonnebrandolie-vette-vingers waar het zand aan bleef plakken je boterham pakte. En later kwamen daar de jongens bij, die de kunst verstonden de aandacht van mij en mijn vriendinnen te trekken. Spannende middagen die tot heel wat stof van gesprek en gegiechel leidden, want ‘wie zou voor wie bestemd zijn…’
Toen het afgelopen zondag wat harder waaide, was er echter geen zonnebader meer te bekennen. Nee, een andere groep mensen vermaakte zich uitstekend en wel op het water in plaats van op het strand. Het wemelde van de kite-surfers. De harde wind joeg hen met een bloedvaart over het water. Er waren er zóveel, dat je tot aan Scheveningen de zwarte stipjes boven het water zag bewegen alsof het zwermen insecten waren. Op het strand zelf zag je enkel wat wandelaars en verder niemand. ‘Lekker rustig,’ dacht ik. Soms heeft een mens daar behoefte aan: niet te veel mensen om zich heen en het hoofd even leeg laten waaien, zonder al te veel herrie om zich heen.
Ook in het verkeer is het merkbaar dat half Nederland op vakantie is. De taferelen van woest invoegende auto’s die eigenlijk geen voorrang hebben, doen zich ineens niet meer voor. De middelvingers die naar je uitgestoken worden, als je stoïcijns de voorrang neemt waar je recht op hebt… ze lijken als sneeuw voor de zon verdwenen. Steeds vaker merk ik dat ik behoefte heb aan die rust. Ik weet niet of het komt doordat ik wat ouder word, of dat het komt door het groeiende aantal mensen om me heen, maar na een dag hard werken, vind ik het heerlijk om op gemak naar huis te rijden en nog lekker thuis even in mijn tuin te genieten van het mooie weer en een lekker hapje eten. En te mijmeren over de paleisjes die kinderen in de buurt bouwen bij de Wollebrand. Kinderen die dromen over ‘later’ waarin de wereld nog voor hen open ligt, met hun eigen huis, hun partner en hun kinderen. Kinderen die nu nog met hun ouders naar het strand gaan, maar al spoedig de leeftijd bereiken om dat met hun vriendjes en vriendinnetjes te doen. Kinderen die weldra onder het toezicht van hun ouders vandaan kruipen om hun eigen weg te gaan. Zo is het altijd geweest en zo zal het blijven gaan. Wat een dagje rust al niet aan beschouwingen op kan leveren…