maandag 18 februari 2013

Vrouwtje


Nog steeds kan ik me er over verbazen hoe ongeëmancipeerd ons taalgebruik is. Zo ook in het Westland. Hoe vaak ik mannen nog hoor praten over een ‘vrouwtje’, is ongelooflijk. En daar bedoelen ze dan niet liefkozend een vrouw met een tenger postuur mee, nee, ik zal het aan de hand van een voorbeeld proberen duidelijk te maken. 

‘Een tijd geleden heb ik een aardig toespraakje gehoord van een Westlands vrouwtje,’ vertelde een man tijdens een netwerk bijeenkomst. Ik zal zijn naam hier niet noemen. Mijn oren stonden gespitst en de eerste waakzaamheid ontstond al door het gebruik van het woord ‘vrouwtje’. ‘Dat wijffie had best wel leuke ideetjes over duurzaamheid en technologie. Leek me een pittig mokkeltje en ze schijnt een leuk bedrijffie te hebben,’ zei hij.

Ik werd nu toch wel benieuwd over wie het hier ging en stelde die vraag. De man moest er diep over nadenken, de naam had kennelijk geen indruk gemaakt, maar na wat denkrimpels kwam die toch bovendrijven. ‘Meini, heette ze volgens mij,’ antwoordde de man. ‘Meini Priva, of zoiets.’

Een onderneemster in het groepje rechtte plotseling haar rug. Kennelijk voelde ze dezelfde jeuk opkomen als ik. ‘U bedoelt Meini Prins van Priva?’ vroeg ze hem. Ja, die bedoelde hij. ‘Leuk mokkeltje. Niet op haar blonde achterhooffie gevallen.’

De jeuk leek nu een adrenaline veroorzakende kramp te veroorzaken. De onderneemster in kwestie kon zich niet goed meer inhouden. Een boosaardige twinkeling verscheen in haar ogen.
‘Ik begrijp het al,’ antwoordde ze, terwijl ze googlede op haar smartphone. Ze vond al snel wat ze zocht en las voor: ‘U heeft naar een lezing van Meini Prins geluisterd. Directeur van de Priva. Een Westlands bedrijf, fabrikant van procescomputers voor klimaatbeheersing en procesbeheer. Heeft 420 medewerkers in dienst, levert producten en diensten op het gebied van klimaat, water en energie, heeft negen vestigingen wereldwijd en verkoopt systemen in meer dan honderd landen, investeert zo’n 25% van de omzet in productontwikkeling en innovatie en behoort tot de top 30 van R&D bedrijven in Nederland, wereldmarktleider in de tuinbouw en toonaangevend op het gebied van gebouwautomatisering.’
Nu was het de onderneemster die kennelijk wat irritatie veroorzaakte. ‘Ja die, én?’ vroeg de man knorrig.
‘U noemt haar een “vróuwtje”? “Wijffie”? “Een “mókkeltje” met een leuk “bedrijffie”? Een vrouw die zich in 2009 Zakenvrouw van het jaar mocht noemen? Vindt u dat niet een beetje denigrerend klinken?’
Hij begreep er geen snars van. Wel vond ie dat ze zich opstelde als een Kenau, een soort manwijf die de soort verdedigde. Een Pavlovreactie die ik wel vaker bij mannen waarneem, wanneer een vrouw naar hun idee haar op de tanden heeft. 
‘En wat voor bedrijfje heeft u, meneer?’ vroeg ze hem met een vals glimlachje. Ik was wat verbaasd over haar felheid. Tenslotte bevonden we ons op een netwerkbijeenkomst. Daar gaat het er toch in eerste instantie om goede relaties aan te knopen met mogelijke opdrachtgevers of de band te versterken met bestaande klanten. En haar optreden stond daar in dit principiële geval toch wel wat haaks op. Verbluft keek hij haar aan, alsof hij nu pas begreep wat er werd bedoeld. Ik genoot stilletjes van wat zich hier afspeelde. Was het in mijn hart helemaal met haar eens. De onderneemster besloot niet op zijn antwoord te wachten. ‘Dat was een koekje van eigen deeg,’ mompelde ze, terwijl ze zich naar een ander groepje ondernemers begaf. ‘Een zelfgebakken koekje. Geheel in stijl gefabriceerd achter wat sommige mannen nog steeds beschouwen als “het enige recht van de vrouw”, het aanrecht…’
Ben benieuwd of Meini Prins, toponderneemster en tot ver buiten onze streek gekend en erkend als boegbeeld van Westland,  daar wel eens tijd voor vrijmaakt als ze ‘s avonds de deur van haar ‘bedrijffie’ achter zich sluit.

maandag 11 februari 2013

Met melk meer konings

Het bericht over het aftreden van Koningin Beatrix viel niet echt rauw op mijn dak. Het is bewonderenswaardig om door te werken tot je 75e jaar en ik neem daar mijn burgerlijke petje voor af. Of Hare Majesteit op haar beurt haar kroontje afneemt voor mensen waar ze bewondering voor heeft, denk ik niet, maar zij heeft daar ongetwijfeld een ruime Koninklijke Woordenschat voor paraat, die recht zal doen aan haar gevoelens.

Op 30 april a.s. draagt ze haar taken over aan haar zoon Prins Willem-Alexander. Dat zal een gedenkwaardige dag worden voor velen. Ik herinner me nog dat onze kroonprins werd geboren. Ik was 8 jaar en ik ontving ter gelegenheid van deze feestelijke gebeurtenis een herinneringsbeker. Ik geloof niet dat ik die nog in mijn bezit heb. De beker had de vorm van een melkbeker en ik gruwde van melk. Leeftijdsgenoten zullen zich vast nog wel Joris Driepinter herinneren. Een irritant mannetje dat in de jaren ‘60 en ‘70 werd gebruikt om in reclamecampagnes de jeugd te bewegen tot het drinken van melk. ‘Met melk meer mans’ luidde de reclameslogan. Drie glazen per dag en dan kreeg je een kruisje op een kaart. Als die kaart vol was, mocht je ‘m opsturen en dan ontving je een soort badge die op je kleding genaaid kon worden. Daar heb ik lang over gedaan. In plaats van de beloofde sterke krachtstaaltjes die het nuttigen van zuivel zouden veroorzaken (jawel, Joris Driepinter kon zelfs een olifant optillen!), werd ik er kotsmisselijk van. In die tijd was het begrip ‘lactose-intolerantie’ nog niet bekend, maar daar zal ik niet ver vanaf gezeten hebben. Voor mij was het geen straf dat die koninklijke melkbeker ergens achterin een kast verdween. Nu zou ik ‘m echter toch nog wel eens willen zien, gewoon uit nostalgische overwegingen. De geboorte van Prins Willem-Alexander was er de oorzaak van dat ik een serie tekeningen van kastelen produceerde, met heuse kantelen, spannende torens en vrolijke vlaggen in top. Het was een feestelijke gebeurtenis.

Kleine kinderen worden groot. Prins Willem-Alexander wordt binnenkort Koning Willem-Alexander. En ik heb minder moeite met zuivelproducten, hoewel het product ‘melk’ nog steeds niet zomaar in mijn dagelijkse menu zal voorkomen. De weerzin is diep geworteld. 

Ook de inhuldiging van Koningin Beatrix staat me nog in het geheugen gegrift. De, naar mijn mening, schandalige vertoning van demonstrerende krakers die de plechtigheid en feestelijkheden verstoorden, zullen zich in 2013 hopelijk niet herhalen. Ook nu leven we in een moeilijke tijd die we de leden van het Koningshuis niet persoonlijk kunnen verwijten. Ik hoop van harte dat het een grandioos feest zal worden. Een feest dat de economie een impuls zal geven. Het Oranje Comité heeft al plannen, las ik in één van onze kranten. Het wordt anders dan Koninginnedag, men wil ‘iets met muziek’. Tja, gezien de zich steeds herhalende festiviteiten de laatste jaren, moet het niet moeilijk zijn om er iets anders van te maken. De kinderkermisjes heb ik nu wel gezien, van mij mag het wel wat grootser. Ik zie het al voor me. Grote optochten van de Westlandse schooljeugd, geflankeerd door een rijdend corso (ter afwisseling van het Varend Corso). Muziekspektakels á la trance, hardcore en andere stijlen waarbij de iets oudere jeugd ff lekker uit z’n dak kan gaan. Versierde straten en overal gezellige eetgelegenheden en bars die Oranjebittertjes uitdelen. Goochelaars en acteurs die het publiek op iedere straathoek vermaken. Lichtshows, ballonnen oplaten en een grandioos vuurwerk tot slot. En natúúrlijk een mooie herinnering aan deze feestelijke dag voor iedereen. Ik herinner me het succes van de hanging baskets die ooit werden uitgereikt. (Zorg ik zelf wel voor de plantjes). Snoeptomaatjes voor de jeugd in een doosje met koninklijk embleem dat ze daarna kunnen gebruiken om gezonde hapjes mee naar school te nemen. Een DVD’tje met de geschiedenis van ons Koningshuis. Een mooi gegraveerd glas of een boek over de inhuldiging voor de oudsten onder ons. Ideeën genoeg die een historische herinnering markeren en tevens de economie stimuleren. Als we in Nederland 3,7 miljard in het opruimen van het achtergelaten puin van slecht functionerende bankmanagers kunnen pompen, dan kunnen we ook onszelf wel iets leuks toezeggen, toch? Zolang het geen melkbeker wordt, zal u mij niet horen klagen. De slogan ‘Met melk meer konings’ gaat er bij mij niet in.

IJspret (3)

Hoewel ik, zoals u de afgelopen weken heeft kunnen lezen, dol ben op de winter, sneeuw en ijs, zult u mij nooit bij grote schaatsevenementen aantreffen. Persoonlijk bind ik de schaatsen niet meer onder en ik voel er niets voor om in een grote menigte aan de kant te gaan staan, terwijl ik alles op de TV veel beter kan volgen. ‘De beleving’ hoef ik niet mee te maken, want in zo’n grote menigte op een ijsmassa gaan staan is volgens mij vragen om moeilijkheden en dat beleef ik liever niet. Voor mij is het dan ook onbegrijpelijk dat grote mensenmassa’s zich naar dit soort evenementen begeven. De veiligheid is niet meer te waarborgen en dat zou wel eens een reden kunnen zijn van het niet (meer) kunnen organiseren van bijvoorbeeld een Elfstedentocht. Geweldig jammer, want deze tocht behoort toch tot een waardevolle Nederlandse traditie. Als mensen beseften dat ze de doorgang daarvan zelf in de weg staan, dan zouden we er wellicht ooit nog eens van kunnen genieten. 

Nee, ik vind het veel leuker om lekker in mijn eentje in de sneeuw te gaan wandelen. Om als eerste voetstappen te zetten in de sneeuw en een laagje verse vlokken over de stappen heen te zien vallen. Ze hoeven van mij niet te blijven staan, die voetstappen. Daar zit geen filosofische gedachte achter, ik vind dat gewoon leuk en weet zelf niet waarom. De sporen van vogeltjes vind ik ook fascinerend. Kleine vogelpootjes die hun afdrukken achterlaten in de sneeuw vertederen mij. Ik besef dan dat ze moeilijker voedsel kunnen vinden en zo vergeet ik niet om vetbolletjes voor hen op te hangen. Daar wordt flink van gesnoept en ook dat is heel leuk om te zien. 

Maar wat ik nóg leuker vind, is het contact dat opeens ontstaat met voorbijgangers die je anders nooit spreekt. Wie voorzichtig door de sneeuw gaat wandelen, kan ineens rekenen op vele groeten. Mensen zeggen vrolijk ‘goedemiddag’ en glimlachen erbij. Alsof ze zich verontschuldigen voor het licht stuntelige geschuifel dat ze vertonen om zich staande te houden in het gladde goedje. Menig keer wordt dit gevolgd door een ‘Glad hè?’ In mijn ogen een volslagen overbodige opmerking, maar goed, ik knik dan altijd glimlachend terug. Een paar dagen later kun je zien dat er al naarstig is gewerkt aan het schoonmaken van de trottoirs. Niet overal is het schoon, plotseling stopt dat bij een woning, waardoor je als wandelaar de rijweg op moet om de inmiddels platgetrapte ijsachtige sneeuwlaag te ontwijken. De straat waarin ik woon mag zich gelukkig prijzen met buren die naar elkaar omkijken. Wie kan vegen, veegt ook het straatje van buren die dat om bepaalde redenen niet (meer) kunnen. Of er in de straten waar schoongeveegde paden abrupt stoppen op de grens van het tuinhek burenruzies zijn, weet ik niet, maar ik heb daar zo mijn fantasieën bij… 

Het is echter voorbij met de ijspret, althans voorlopig. Afgelopen zondag ging het regenen en dooien. De sneeuw smolt snel weg. ’s Morgens was het bitter koud, wind en regen teisterden de mensen die zich nog op straat durfden begeven. Niemand zei gedag. Geen verontschuldigende glimlachjes. Met de smeltende sneeuw verdwenen ook de vriendelijkheid en het sociale gedrag. Diep weggedoken in regenjassen, met paraplu’s in de aanslag snelden we elkaar voorbij, elkaar nog net niet vast rijgend aan de vervaarlijk vooruitgestoken paraplupunten. ‘Laat het nu maar voorjaar worden ook,’ dacht ik. ‘Kunnen we weer een praatje aanknopen over het heerlijke voorjaarszonnetje. Of over de onverwachte hitte. Ja, zeker weten, laat het maar snel lekker lente worden. En daarna zomer. Dan kan ik, lui liggend in de schaduw op mijn relaxte tuinstoel, dromen van sfeervolle kerstbomen en sneeuwwitte landschappen…’

zondag 27 januari 2013

IJspret (2)

Nog ff een peukie voor de "Vlaringse" moppen op de schaats naar huis worden gebracht

Wat een heerlijk winterweertje beleven we toch de laatste week. Ik schreef er vorige week al over hoe ik daar van kan genieten. De schaatsende kinderen en jongeren op de sloten, de kleintjes die in een sleetje worden voortgetrokken, ik kan er geen genoeg van krijgen. 

Bijna fluitend van plezier liep ik door de supermarkt. Super door de super zou je kunnen zeggen. Helemaal 2013. Plots werd mij ter hoogte van het rundergehakt de doorgang versperd. Een winkelwagentje met slechts één kropje sla erin werd bewust dwars voor mijn voeten geparkeerd. ‘Ho effe mevrouw Wageveld. Goed dat ik u hier tref.’
 
Een mij onbekende man sprak mij aan.

Dat gebeurt wel vaker moet ik u eerlijk bekennen. Risico van het vak.  Als je regelmatig met je hoofd in de krant verschijnt, in mijn geval in “Westland op zijn Breedst”, kom je erachter dat zo’n rubriek mirakels goed wordt gelezen. Ik vind het niet erg hoor, maar kan niet overal meer anoniem rondlopen. Met grote regelmaat word ik staande gehouden door mensen die me even willen laten weten dat ze met plezier mijn “stukkie” hebben gelezen. Of mensen die met tips komen. ‘Meid, dat koor zingt zo mooi, daar zou je eens over moeten schrijven.’  

Dit keer lag het even anders. De man die me dit keer aansprak was een wat gezet heerschap van naar schatting ergens in de vijftig. Hij keek me vorsend aan en baste: ‘ Mevrouw, ik was het helemaal niet eens met dat stukkie over ijspret. Uw lofzang op de winter in het algemeen en schaatsen in het bijzonder, dat verleden week in de krant stond. Ik hou namelijk helemaal niet van de winter. Sneeuw en vooral schaatsen, brrr. Het kan me gestolen worden!’ Ik antwoordde hem vriendelijk dat dat zijn goed recht was natuurlijk, maar tegelijk was ik nieuwsgierig naar hoe dat nou zo gekomen was. Dus stelde ik hem die vraag. Hij ging er eens goed voor staan, leunend op zijn winkelwagentje.

‘Ik was een binnenkind vroeger. Mijn vader was politieman. Een doodgoeie kerel maar niet het type dat met zijn kind - ik ben enigst kind - van alles ondernam en zeker ’s winters niet want hij was nogal kouwelijk. Ik had zelf ook niet de drang naar buiten te gaan en werd dus ook niet gestimuleerd om te leren schaatsen. En als enigst kind had ik natuurlijk  ook geen grote broer, zoals u, die me meenam.’

Ik mompelde zachtjes: ‘Enig kind, want eniger dan enig bestaat niet,’ maar de man was zodanig op dreef dat hij geen oren had naar mijn taallesje.

‘Nou mazzelde ik  dat in mijn jonge jaren, de jaren zestig’, vervolgde hij, ‘op de verschrikkelijke winter van ’63 na, voornamelijk uit kwakkelwinters bestond. Ik kan me tenminste geen langdurige vriesperioden herinneren. De kans om besmet te worden met op natuurijs schaatsen was dus vrij gering. Heb ik nooit mee gezeten. Nooit last van gehad. Ik vond het prima zo.  

Nee, mijn echte weerstand tegen het schaatsen stamt uit mijn middelbare schooltijd in De Haag. Ergens op de grens van jaren zestig toen het op een winter wel een keer echt begon te vriezen. In Mariahoeve was op een ondergelopen tennispark een natuurijsbaan gecreëerd. Niet ver van mijn school waar ik vanuit het Westland iedere dag heen trok om een vak te leren. Tot mijn schrik moesten we op een kwaaie dag daarheen voor gymles. Onze gymleraar was gek van schaatsen en dus stond onze vrijdagse gymles van twee lange uren in het teken van schaatsen. Iedereen moest komen, ook diegenen zoals ik die geen schaatsen hadden. Die werden daar ter plaatste verhuurd. Ik kwam er dus niet onderuit. Eerlijk is eerlijk, ik heb geprobeerd er wat van te maken. Lopend an de kant, op van die ijzers met een bescherming eronder, dat ging nog wel. Eenmaal op het ijs werd ut heel wat anders. Koud, glad, nat. Ik vond het helemaal niks. Heb bijna de volle twee uur aan een hek gehangen met constant wegglijdende benen onder me. Ik voel nog wat een kouwe klauwe ik toen had, zeg. Toen de les bijna afgelopen was, kwam onze gymleraar. Die zou me wel eens eventjes snel het schaatsen eigen maken. Hij trok mijn handen los van het hek en gaf me een duw. Nou zullen er misschien mensen zijn die dan een slag maken en wegschaatsen; deze jongen niet. Allemachtig wat was ik boos op die leraar die me dat geflikt had, zeg. Ik kletterde keihard op me reet en daarmee was het lot van het schaatsen bezegeld. Dit, plus dat gehang an het hek, ik vond er niks an en besloot ter plaatse dat dit zo zou blijven ook. En die belofte ,die hou ik tot op de dag van vandaag gestand. IJspret, bestaat niet. Zo en nou u weer.’ 

Met een tevreden blik in zijn ogen en zonder op een weerwoord van mijn kant te wachten beende hij weg. Hij had zijn verhaal kunnen doen en dat was kennelijk genoeg. Hoewel, hij draaide zich nog een keer om. ‘O ja, mevrouw. Nog één ding. Die Donald Duck met zijn dichtgesneeuwde deuren heb ik ook altijd al een irritante pesteend gevonden.’

Ik keek hem na. Hij wiebelde lichtjes met zijn lichaam, terwijl hij zijn winkelkarretje voor zich uit duwde. ‘Hij heeft een geweldige slag’,  dacht ik, toen ik hem zo zag weglopen, ‘jammer dat hij die nooit in de schaatspraktijk heeft gebracht. Hij had met enig doorzettingsvermogen vast van de schaatssport genoten. Lekker met het windje in het ruggetje vanuit Westland naar Vlaardingen en weer terug. Met veilig opgeborgen in een rode boeren zakdoek de beroemde “Vlaringse” moppen. Voor moeders de vrouw. Was ze vast heel blij mee geweest. Smaken veel lekkerder dan zo’n kaal kroppie sla.’ 

© 2013 Tekstbureau Westland

zaterdag 26 januari 2013

Westland op z'n breedst

IJspret
Zodra de temperaturen onder het vriespunt dreigen te dalen, breekt er een soort koorts uit onder schaatsliefhebbers. De rayonhoofden in Friesland komen bijeen en de verstaanbaarheid van geïnterviewden op de radio neemt af in hetzelfde tempo als de temperatuursdaling. Staan wij Westlanders dan niet ‘op de kaart’ als schaatsers? Je zou het bijna denken. Als we de prestaties van Lierenaar Piet Keijzer niet meerekenen, dan kan ik zomaar niet op de naam van een Westlandse schaatser komen. Terecht is de ijsbaan in De Lier naar deze Elfstedentochtbikkel genoemd. Een ijsbaan die onlangs koortsachtig door vrijwilligers onder water werd gezet en waar na 2 nachtvorstjes al de eerste slagen op gemaakt konden worden. Wonderbaarlijk, zo snel als dat gaat. 

Enkele kilometers verderop prijkte diezelfde dag bij Olympus ’70 de atletiekbaan voorzien van een wit laagje. Een groep enthousiaste sporters trok zich er niets van aan en deed hun wekelijkse sportoefeningen, terwijl atleten rondom hen zich warmliepen (ja, dat kan bij dit weer) in voorbereiding op de wedstrijden die in de nabijgelegen hal plaatsvonden. De baan ontdooide snel onder het heldere zonnetje en de rode kleur verscheen als vanouds. Hopelijk gold dat niet voor de Lierse ijsbaan. 

Vorst en een zonnetje, voor mij het summum van de seizoenen. Ik houd van de winter. Schaatsen doe ik al heel lang niet meer, maar ik mag er graag naar kijken. Niet zozeer naar wedstrijden op TV, maar wel naar de ijspret van kinderen op een sloot of ijsbaan. Een wandeling in de vrieskou doet me opleven. Ja, ook sneeuw vind ik geweldig! Zolang het dan ook maar sneeuw blijft en niet in een blubberachtige substantie verandert.  Het doet me denken aan vroeger, toen ik als klein meisje verlangend naar sneeuwbuien uitkeek. En dat verlangen was groot. De sneeuwbuien moesten van mij dan ook groot zijn. Zó groot, dat we ingesneeuwd zouden raken en niet naar school konden gaan, omdat de deur niet meer open kon. Dit idee is niet aan mijn eigen fantasie ontsproten, maar aan de Donald Duck. Wie dit stripblad leest, herkent vast de winterse taferelen van ingesneeuwde woningen. Kwik, Kwek en Kwak die samen met Oom Donald vrolijk uit het raam kijken. En de spelbreker in de vorm van een ander stripfiguur die met een enorme sneeuwschuiver de sneeuw bij deur en tuinpad probeert weg te schuiven. Hoe die op zijn beurt naar buiten was gekomen uit een ingesneeuwde huisje, was nooit in de striptekeningen terug te zien, maar de fantasie van kinderen is groot. In zo’n kinderkoppie is veel meer onverklaarbaars mogelijk, dan wij volwassenen denken. Zo werkte dat bij mij; de school zou onbereikbaar zijn; de hele dag zou ik in de sneeuw kunnen spelen, glijbaantjes maken, sleetje rijden, sneeuwpoppen maken, sneeuwballen gooien en schaatsen. Vooral schaatsen… 

Dat leerde ik op Friese doorlopers. Van die ijzers met een houten bovendeel dat, als je geluk had, ongeveer van jouw schoenmaat was. Had je dat geluk niet, dan schaatste je gewoon op de zijkanten van de steeds verder losrakende schaatsen, totdat het echt niet meer ging. Dan was daar altijd mijn grote broer die door zijn knieën zakte, zijn gebreide wanten tussen zijn tanden stopte, en geduldig de lange veters weer voor me vastknoopte. Hele middagen konden we daarmee zoet zijn. Ik moet er altijd weer aan terugdenken als het eerste ijs op de sloten verschijnt. Dat zal de reden zijn dat ik zo intens kan genieten van het kijken naar kinderen die leren schaatsen. Zij noch ik voelen de kou, zo heerlijk buiten spelen is gewoon hartverwarmend. 

Het is inmiddels 50 jaar geleden dat de eerste Friesche Elfstedentocht die ik me kan herinneren werd verreden. Om precies te zijn op 18 januari, twee dagen voor mijn vierde verjaardag. Dat winters kou en veel sneeuw- en ijspret leverden, moet toen al in mijn geheugen gegrift zijn, want een barre winter was het. Ooit mocht ik het genoegen smaken winnaar Reinier Paping te spreken, die in het gezelschap van Piet Keijzer op bezoek was in het toenmalige Schaatsmuseum in de oude boerderij aan de Burgemeester Elsenweg. Een geweldig gesprek met een vriendelijk stel mannen. Helaas is Piet Keijzer niet meer onder ons. Reinier Paping hoopt over een maand 84 jaar te worden. Geen Westlander, echter voor zover ik ooit een idool in mijn leven heb gehad, dan was hij de eerste… daar kon zelfs Donald Duck niet tegenop.

dinsdag 15 januari 2013

Het woord van 2013

Ergens midden vorig jaar begon het op te vallen. En toen dat eenmaal het geval was, ging het snel. Ik hoorde het werkelijk overal. Het was al weer een paar jaar geleden dat ik een dergelijke opvallende trend had geconstateerd. Het moet ergens midden in de ‘nulties’ zijn geweest. Dat blijf ik trouwens een raar woord en begrip vinden ‘de nulties’ .  Voor wie het niet weet, hiermee worden de eerste jaren van deze eeuw (2000-2009) bedoeld. Kijk met de fifties, sixties en seventies kan ik wel leven (zal de leeftijd wel zijn) en in het verlengde daarvan is nulties nog niet eens zo gek gevonden, maar toch…

Goed, ergens in het midden van die nulties dus was er opeens het ‘ik heb zoiets van’ virus. Het leek lange tijd onuitroeibaar en je kwam het overal en nergens tegen. Iedereen leek wel ‘ik heb zoiets van’ te hebben. Caissière:  ‘Wilt u zegeltjes?’ Klant: ‘Nah, ik heb zoiets van… doe maar niet’.  Van dat soort conversaties. Het verdween weer net zo plotseling als het was opgedoken en we hebben er de rest van de nulties geen last meer van gehad, op een enkele die-hard na die vond dat hij/zij  ‘ik heb zoiets van’ toch niet zomaar uit het taalgebruik kon verbannen.

Goed, het begon dus ergens midden vorig jaar op te vallen. Een nieuwe trend. Misschien is het u ook opgevallen. De opvolger van ‘zoiets van’. Ineens was alles en overal ‘super’. ‘Super bedankt hoor, dat ging super zeg, we hebben een superweekend gehad, hij rijdt al superlang in die auto rond’. Zomaar een paar van talloze voorbeelden die ik u kan geven. U kent er zelf vast ook nog wel een paar. Overal wordt tegenwoordig het woordje ‘super’ aan vastgeplakt. In mijn tijd – sprak de oudere dame -  was dat wel een stukkie anders. Toen was nog lang niet alles super. Die erenaam was slechts voor weinigen weggelegd. Zo was er benzine super. Kom daar nog eens om bij het tanken tegenwoordig. Je hebt nu 95 en 95 groen en 98. Toen had je ‘gewoon’ super. En verder waren er  stripfiguren met de naam Super. Zoals Bul Super, een sigarenrokende zakenman/misdadiger uit de Tom Poes strip en natuurlijk Superman himself, een superheld geboren op de planeet Krypton. Weer wat later sloten we een figuurtje in het hart met de naam Super Mario. Het ging hier om een loodgieter die je in allerlei computerspelletjes de meest onmogelijke dingen kon laten uitvoeren. Dan behaalde je punten en kwam je in een hoger –moeilijker- level terecht in zo’n spelletje. En natuurlijk hadden we de supermarkt en de buurtsuper. Tegenwoordig in het namentijdperk zegt men niet meer ‘schat ik ga even naar de supermarkt’ en is in dit supertijdperk dat woord juist verdwenen. Anno nu gaan we naar Appie, of de Jumbo.

In ons eigen Westland was het woord ‘super’ trouwens in de tijd dat het nog niet te pas en te onpas werd gebruikt, al wel veelvuldig in gebruik. En dan vooral in het lieflijk tegen ‘de Daik’ gevleide  “United States of dé Maasdijk”.  Daar was (en is) de uitdrukking ‘superdik’ al jaren onderdeel van de dagelijkse spreektaal. Toch weer een teken dat het grapje ‘het is twaalf meter lang en gaat terug in de tijd’, antwoord: ‘de bus naar dé Maasdijk’ niet op waarheid berust. Ze zijn wel degelijk van deze tijd daar bij de Barn. U weet niet (meer) wat de Barn is? Denkt u daar dan gedurende het net nieuw begonnen superjaar 2013 maar eens rustig over na. Want, een superjaar gaat het worden. In uw privéleven en op zakelijk gebied. Zeker weten. En dat is u allen van harte gegund. Ook óm ons heen wordt alles supergeregeld dit jaar. In Naaldwijk worden alle inwoners superblij met een nieuwe moskee en daarnaast als bonus niet één maar zelfs twee gemeentepaleizen. Tenzij natuurlijk een raadsbrede supercoalitie alsnog zand in de motor gooit. (Dan krijg je namelijk een zandmotor, niet echt een superidee dus). Kern ‘s-Gravenzande krijgt eindelijk haar lang beloofde super-de-luxe winkelcentrum. Ook in Kwintsheul wordt komend jaar een aanvang gemaakt met de realisatie van een nieuw centrum met supermarkt. In Monster gaan ze eindelijk eens genieten van dat supermooie kerkgebouw aan de Kampschoërstraat. Kortom 2013 wordt voor ons allen een superjaar. Geniet er van!
© 2013 Tekstbureau Westland

vrijdag 21 december 2012

Kerstmarkten


 
Een tiental jaren geleden was het in het Westland nog een onbekend fenomeen: de kerstmarkt. Anno 2012 zie ik er steeds meer verschijnen. En ik bezoek ze graag, want de sfeer van Kerstmis vind ik prettig. Even een moment van rust, een moment voor familie, een moment om midden in het donkerste seizoen gezellig bij elkaar te zijn. En niet in het minst een moment om terug te kijken op het afgelopen jaar en een blik vooruit te werpen op het komende jaar. Niet dat er veel te regelen valt in het leven, maar plannen maken is altijd leuk. 

Tussen al het drukke werk door maak ik tijd vrij om een paar kerstmarkten te bezoeken. Afgelopen vrijdag was ik daarom in de Oude Kerk op het Wilhelminaplein in Naaldwijk te vinden. Sfeervolle kraampjes in een sfeervol gebouw. Een mogelijkheid om droog en warm te genieten van al het moois wat aangeboden wordt en waar ik slechts zelden weerstand aan kan bieden. Ieder jaar ‘moet’ er wel een engeltje aangeschaft worden, een misschien rare gewoonte, maar ja, verzameldrift…

Mijn voorkeur gaat uit naar glazen kerstengeltjes die je in de kerstboom kunt hangen. Nu denkt u waarschijnlijk dat die in grote getale te vinden zijn, maar niets is minder waar. Ooit vond ik er op een kerstmarkt in Duitsland een aantal. De glazen kerstboomengeltjes die ik in Nederland “scoorde” zijn op één hand te tellen. Het speuren naar de engeltjes geeft een extra doel aan het bezoeken van kerstmarkten.  

Dit jaar ontdekten mijn man en ik dat er in Schipluiden ook een kerstmarkt is. Daarom togen we zaterdagmiddag naar de buren van het Westland. Het eerste wat we tegenkwamen nadat we de auto geparkeerd hadden, was het nieuwe gemeentehuis van Midden Delfland. Nu wil ik niet flauw doen, hoor, maar dat hebben die voormalige Westlanders toch maar mooi voor elkaar! Kunnen wij een voorbeeld aan nemen. Of het gemeentehuis zelf ook mooi is, is afhankelijk van uw persoonlijke smaak. Ik vond het wel iets hebben, zo’n rieten dak in het grasgebied. Het had wel iets toepasselijks op weg naar een kerstmarkt. In mijn fantasie moet de kerststal waar het kindje Jezus werd geboren ook een rieten dak gehad hebben, maar daar zullen de architecten die het gemeentehuis ontwierpen geen boodschap aan gehad hebben.  Iets teveel glas in het gebouw, maar ja, kennelijk willen de ambtenaren dat voorbijgangers op hun computerschermen kunnen meelezen waar ze aan werken. Met bewonderende blikken passeerden we het sierlijke gemeentehuis op weg naar de kerstmarkt die leuk stond opgesteld rondom de kerk en langs het water. Nieuwsgierig wierpen we een blik in het kerkje in de veronderstelling dat daar ook kraampjes zouden staan opgesteld, maar nee. Groot was mijn verrassing dat er een dame aan het voorlezen was. Achter haar stond een koor dat de kerstverhalen met zang afwisselde. Ouders met kinderen luisterden ademloos naar het sprookje ‘Het meisje met de zwavelstokjes’. Een regelrechte tearjerker, zeer passend in de sfeer van deze dagen. Ik kan er niets aan doen, maar als ik in een kerk stap waar levendig handel wordt gedreven, dan krijg ik daar toch wat Bijbelse visioenen bij over de Tempelreiniging waarbij Jezus handelaren uit de tempel wegjaagt omdat het een plaats van gebed zou moeten zijn. Nu ben ik geen fundamentalist, integendeel, meerdere religies hebben mijn belangstelling. Maar het luisteren naar een verscheidenheid aan kerstverhalen in een mooi en klassiek kerkgebouw, vind ik toch iets beter passen bij religie dan het verkopen van kerstartikelen. Tenslotte onthouden we de verhalen en de kerstartikelen liggen zo’n 49 weken per jaar in de kast. 

Na een poosje te hebben meegeluisterd, trokken we weer verder. In de aangrenzende pastorie werden zelfgemaakte producten uit de streek verkocht. Vers druivensap, heerlijke cakes, ambachtelijke Hoornse worsten en nog veel meer lekkers. Bij de worsten zat zelfs een Bijbelse tekst die uitleg gaf aan de naam ‘Hoorn’. Kijk, daar zal ik nou niet zomaar spontaan naar op zoek gaan, maar tijdens deze dagen neem ik er dus wel de tijd voor om het eens aandachtig door te lezen. ‘De worsten smaken er nóg lekkerder door, als u weet wat er allemaal achter schuilt,’ gaf de verkoper zijn boodschap mee. Een vreemde vermenging van begrippen, maar commercieel wel een succesje. De man verkocht vele worsten. Een andere ietwat vreemde vermenging viel me ook op. Kerststukjes met een Boeddha beeld. Terwijl wereldwijd meer dan een miljard aanhangers van het boeddhisme denken dat Boeddha verlicht raakte onder een Bodhi boom, hebben de Schipluidenaren hem tussen de dennentakken geplant met een vlammend kerstkaarsje met ledverlichting, zoals kitscherige voorwerpen op Aziatische marktjes ook wel worden aangeboden. Dat dan weer wel…

Ik vraag me wel eens af of al deze vermengingen ooit tot één wereldgodsdienst zullen leiden. Als ik de nieuwsberichten volg, dan zal dat nog wel even duren…

Uiteindelijk  kochten we een kerststukje dat in een klein houten groentekistje was opgemaakt. Toch leuk dat ze in Midden Delfland nog iets hebben met nostalgische voorwerpen uit het Westland. 

Of uw wiegje nu in Azië of in Europa heeft gestaan is voor mij niet van belang. Of u in Westland of Midden Delfland woont evenmin. Welke godsdienst u aanhangt, maakt mij ook niet uit, zolang we maar in vrede en respect met elkaar kunnen samenleven. Geniet van het mooie in dit leven, met of zonder kerstboom, Boeddhabeeld, ledverlichting, Hoornse worsten, groentekistjes en wat er zoal meer te koop is om het leven te veraangenamen. 

Ik wens iedereen fijne Kerstdagen!
Door Joke Wageveld © 2012 Tekstbureau Westland