dinsdag 2 april 2013

Tante

Mijn telefoon ging tijdens het shoppen. Zoals bijna altijd was ik weer te laat met opnemen. Op de voice mail: Tante. Onduidelijk verhaal. Ik begreep dat ze “mijn stukkie” had gelezen en of we nog eens langskwamen. Toen ik het berichtje nog eens wilde beluisteren, was het van mijn mobieltje verdwenen. Vreemd hoor.

Nu hadden we haar al een paar keer bezocht, maar iedere keer geen gehoor. Tante is ondanks haar hoge leeftijd nogal uithuizig. Toch maar weer een poging gewaagd en deze keer was het wel raak. Ze stond ons al in de deuropening op te wachten.

‘O wat leuk zeg, daar zijn jullie dan. Moet je koffie? Ja ik dacht nog: ‘Wie staan daar nou weer aan de centale voordeur?’ Kan ik zien met deze camerahuistelefoon, heb je wel nodig tegenwoordig, er lopen wat duistere types rond hoor, die het op oude mensen hebben voorzien. Goh leuk zeg, kon je je auto nog een beetje kwijt, koffie was het toch? Leuk hoor. Ja, morgen word ik negentig, wat een leeftijd niet? En het is allemaal zo snel gegaan, maar ik ben gelukkig nog gezond hoor, ik heb alleen last van eczeem, hierzo tussen mijn vingers en op mijn hoofd. Tsja familiekwaaltje, net als astma. Heb ik ook regelmatig last van, leuk hoor dat jullie er zijn, koffie was het toch? Zal meteen een bakkie gaan zetten.  Nee, ik heb geen puffer tegen die astma, want daar zit weer een stofje in waar ik niet tegen kan. Zat ook in bloeddrukpilletjes en toen zei de dokter:  ‘Dan doen we maar helemaal geen pilletjes meer.’ Ja, lopen gaat wat moeizamer, maar ik mag niet klagen hoor, verders is alles nog goed. Mijn gehoor is nog prima, mijn verstand. Nou zeg, sta ik maar te kletsen, zal nou eerst maar eens een koppie koffie gaan zetten, haha, ja ik zet nog gewoon ouderwets koffie in een potje, niet met zo’n modern ding met van die padjes, maar dat vinden jullie toch niet erg zeker. ’t Is me niet allemaal komen aanwaaien hoor, we hebben het erg arm gehad vroeger, maar ja wat willie. Ome Jan was gelegerd in Naaldwijk en toen kregen we verkering. Hij verdiende niet veel en toen we gingen trouwen, zijn we bij zijn moeder gaan inwonen. Ik trouwde in een geleende jurk van een vriendin uit ’s-Gravenzande en hij had een zakkenpak aan. God, wat een arremoe allemaal, maar je hoort mij niet klagen hoor. We hebben ons ondanks alles toch staande weten te houden en zijn er bovenop gekomen. Ik voel me de koning te rijk hier in mijn aanleunflatje. Ik ben in mijn leven een keer of negen verhuisd en vind het wel goed zo. Kijk eens, hier is de koffie. Wil je er een koekie bij? Hierzo deze moet je nemen, die is lekker. Ja, mijn zoon Piet en zijn vrouw hebben alvast boodschappen voor me gedaan. Voor mijn verjaardag, niet dat het druk wordt, de kinderen komen  morgen, de kleinkinderen overmorgen.  Ik kan niet veel drukte meer hebben.  Ja, ik ben zelf nogal druk hihihi!  Lekker koekie niet? Komen van de supermarkt hieronder, handig hoor zo’n klein winkelcentrum vlak in de buurt, al kom ik er steeds minder, want lopen wordt steeds lastiger ja. Goh, ik vind het zo leuk dat jullie er zijn zeg, ja, ik kreeg jouw stukkie onder ogen, bracht Piet mee, die zag het in de krant staan. Die woont in Wateringseveld en daar wordt die krant ook bezorgd. Zegt ie: ‘Moet je nou eens lezen, is van Joke.’ Leuk hoor, dat ken jij wel, van die stukkies schrijven. Nog een koekie? Zal ik nog een bakkie inschenken?  Da’s wel weer makkelijk met zo’n ouderwetse koffiepot natuurlijk, dat je altijd alvast een extra bakkie koffie klaar hebt staan als je daar trek in hebt. Ja, je stukkie is nou bij mijn dochter Petra. Die heb ik het meegegeven. Fijn hoor, komt iedere week bij me schoonmaken. Is wel anderhalf uur rijden, zeker met die slechte pad van de laatste maanden. Dan zeg ik:  ‘Meid, als je het niet meer ziet zitten, zal ik daar niks over zeggen hoor, dan regel ik wel wat anders.’ Maar dan zegt ze: ‘Moe ik doe het met plezier.’ Ach ja, zo zie ik haar gelukkig nog regelmatig en dat geldt ook voor de anderen. Piet is met prepensioen, die had geluk dat ie er nog uitkon Mijn andere zoon werkt nog, maar die is het best wel zat. Hij werkt al vijftig jaar onafgebroken. Komt iedere week een keer bij me eten als ie uit zijn werk komt. Hij werkt in Capelle en dan doet ie er soms wel twee uur over met het openbaar vervoer naar hier, ’t is toch wat. Zo, hier is nog een bakkie , neem er nog een lekker koekie bij, kan jij wel hebben, je bent niks te dik. Goh leuk hoor, dat jullie er zijn. Ja ik ken het Westland niet meer terug, zo ben ik al jaren niet meer in Naaldwijk geweest. Er is in de loop van de jaren zoveel veranderd. O, staan er achter jullie huis ook al huizen, ja die tuin was vroeger van een Vijverberg of van een Groenewegen. Maar ja dat waren katholieken, daar trokken wij niet zoveel mee op. Dat had je zo vroeger hè. Lust je nog wat anders, een glaasje limonade of heb je liever een wijntje?  Dan moet je dat zelf maar effies pakken. Azzie er dan eentje neemt, dan lust ik er ook wel eentje, maar in een klein glaasje hoor, anders zit ik strakkies in mijn stoel te slapen hihi! Mooie stoel nietwaar? Heb ik van de kinderen gehad voor mijn verjaardag, Tsja wat moet een oud mens vragen voor haar verjaardag. Ik heb weet ik hoeveel spullen naar de kringloopwinkel gedaan, maar mijn ouwe stoel was versleten, dus ik vond het wel een goed idee en hij zit heerlijk. Hebben ze nog met korting gekocht ook. Ik heb hier een prachtig uitzicht. Daar is het station van Randstadrail, tot kort geleden reisde ik veel met die tram. Samen met een vriendin. We kwamen overal, tot in Kijkduin. Maar ja, die vriendin is veertien dagen geleden ineens overleden. En vindt dan maar weer een nieuwe vriendin waarmee je van die toggies kan ondernemen. Je wordt toch ook steeds minder mobiel. Hier pak nou nog een koekie. Gaan jullie nog op vakantie? O, da’s een mooie reis zeg. De man van een ouwe vriendin van me is daar nu ook naar toe, dat is hoe heet zo iemand ook al weer... een wolkenkrabber, nee een globetrotter, een wereldreiziger. Die reist ieder jaar in zijn eentje met een fiets en een tentje door een land. Verleden jaar is ie drie maanden naar IJsland geweest, maar dat vond ie toch wel een beetje een kouwe bedoening, daarom is ie dit keer drie maanden naar een warmer land. Zijn vrouw vindt het best zo, ze zijn al 45 jaar getrouwd, vroeger werkte hij bij een keukenboer. Verkocht ie nieuwe keukens aan jan en alleman, maar zijn vrouw heeft nooit een nieuwe keuken gekregen hihi. Nou neem je nog een koekie mee voor onderweg? Leuk dat ik jullie gesproken heb, weten we weer wat van mekaar. Kijk ie uit onderweg? Het is ook zo druk met verkeer tegenwoordig, nou dáág, kom gauw maar weer eens langs…’

Doen we tante. Met alle liefde. Daar is geen discussie over mogelijk…

De lenter komt

'Krokeledokus de lenter komt, lenter komt, hopsasa!’ Een vrolijk en tijdloos kleuterliedje. Mijn dochter zong, toen ze nog een klein kleutermeisje was, dat liedje altijd een paar weken achter elkaar luidkeels op ieder (on)gewenst moment van de dag.

Dat versje had ze op school geleerd en nee het is geen drukfout, u las het goed, ze zong inderdaad “lenter”. Dat kwam waarschijnlijk door de kleuterlogica dat winter, lenter en zomer iets met elkaar te maken hebben en dus allemaal op een ‘r’ eindigen.
Krokussen, lente. Het maakt hele volksstammen blij. Dat bleek maar weer verleden week. Die paar dagen dat het alvast een beetje  lente was. Weg met de donkerte en de kou. Daar hebben we tot aan begin maart wel weer lang genoeg in gezeten, is de algemene mening.  Geldt zelfs voor de mensen die zich vanaf half november verkneukelen over de komende donkere dagen voor kerst. De schaatsers die genieten van vrieskou. Om de elfsteden op de schaats te doen moeten ze voorlopig weer minstens driekwart jaar wachten. En ook de aanhangers van die gezellige winterse dagen waarbij men met z’n allen aan de warme chocomel  zit en een spelletje mens- erger- je -niet speelt, terwijl het buiten vriest dat het kraakt, zijn die spelletjes zat. Op naar buiten. Ook zij kijken inmiddels reikhalzend uit naar het voorjaar. Neem dat maar van me aan.

Lente. Het maakt iedereen blij. Iedereen? Nou ja, bijna iedereen. Misschien dat de schaatsenslijpers in de regio het allemaal wat minder geslaagd vinden dat er geen ander ijs meer is te vinden dan dat in de ijssalons van Westland. Hoewel, de meeste van die schaatsenslijpers zijn daarnaast rijwielhandelaar en zien dus met het stijgen der temperaturen de omzet navenant stijgen. Want, massaal trekken we de fiets weer  uit de schuur voor een ommetje om er achter te komen dat ons stalen ros ofwel aan vervanging toe is of een goeie onderhoudsbeurt kan gebruiken. In beide gevallen handel voor de zwoegende fietsenmaker.
En over die ijssalons gesproken, waarvan we er een toenemend aantal hebben gekregen de laatste jaren in het Westland, ook daar neemt de stroom klanten die even wil genieten van een ijskoude traktatie in de zon weer hand over hand toe. Zo heb ik al weer een heleboel mensen likkend en slikkend aan hun ijsjes zien zitten op de bankjes bij een van die ijssalons. Toch weer een beetje kassa voor die hardwerkende ondernemers.

“Krokeledokus”  komt niet alleen natuurlijk. Naast de krokussen komen ook de hyacinten, de narcissen, blauwe druifjes en de tulpen ras te voorschijn zodra de winterse kou het definitief lijkt te gaan afleggen tegen de eerste warme lentezonnestralen. De meeste van onze tuinen hebben die eerste wat warmere dagen nog het aanzicht van woeste toendra landschappen. Lang was de grond in onze voor- en achtertuintjes bedekt  met een sneeuwdeken. Nu die is weggesmolten ogen ze ronduit saai. Geïnspireerd door de fleurige folders van de tuincentra hoop ik dat veel mensen dan ook meteen besluiten daar wat aan te gaan doen. Bij diezelfde tuincentra waar je dan op zaterdag over de hoofden kunt lopen. Overvolle parkeerterreinen waar auto’s worden volgestouwd met de nieuwste tuintrends. Een heerlijke gedachte. Rijen voor de kassa’s. Personeel dat zich te pletter moet werken. Maar dat doet men met een glimlach om de mond. Het is immers lente!
Ik weet het, de berichten klonken anders. “Tuincentra hadden in 2012 circa 200 miljoen minder omzet dan in 2011”. Dat was de sombere conclusie in de krant. Ook de stroom aan nog meer negatief nieuws uit het Haagsche is niet direct hoopgevend, maar toch. Dat lentezonnetje moet bij meer mensen dan alleen bij mij vrolijke, hoopvolle gedachte teweeg brengen. Weg met die donkerte, weg met die somberheid. Niks oppotten dat geld. Oppotten doen we die nieuw gekochte magnolia, over een paar maanden als die fors blijkt te zijn gegroeid. Ja, tuurlijk u houdt het nodige geld achter de hand voor noodgevallen. Maar verder, kom op, geniet van het leven. Geniet van de nieuwe lente. Stop met somberen beste mede Westlanders.

Sjonge wat een pleidooi voor positivisme. Ik schrik bijna van mezelf. En dat terwijl de echte, de  “kalenderlente” pas op 21 maart staat te beginnen. Allemachtig, Krokeledokus is me dit jaar wel erg snel naar het hoofd gestegen. Jazeker, wees blij: de lenter komt!

woensdag 27 maart 2013

Facebook


‘Zit’ u al op Facebook? Nee? Ik wel. Alle voordelen en nadelen op een rijtje gezet, vind ik het een heerlijk communicatiemiddel. Van al mijn bekenden weet ik redelijk goed wat ze aan het doen zijn en soms ook niet. Het is maar net wat men wil prijsgeven. En daar zit een enorme variatie in. Van het koken van een soepje tot en met diepe zielenroerselen, van het volgen van een studie tot humoristische boodschappen. En vooral dat laatste kan behoorlijk opwekkend zijn. Na mijn epistel vorige week over voedsel, viel mijn blik op de volgende Facebook mededeling van Loesje: “Geen wonder dat mijn prins niet komt, zijn witte paard zit in de lasagne”. Daar kan ik hartelijk om lachen! En wat dacht u van een foto van een pakketje met gehakballetjes dat de volgende tekst laat zien: “Kindergehaktballetjes – we weten in ieder geval wat er in zit”. Die is ook niet mis, hahaha! En nu ik het hier over heb… heeft u het nieuwsbericht over marketing van voedsel en frisdrank die op kinderen is gericht ook gehoord? Consumentenorganisatie Foodwatch wil marketing van ongezond eten en drinken voor kinderen verbieden. Toen ik het hoorde, dacht ik even dat het een nieuwe ludieke begintekst van Loesje was. Jammer, maar helaas… ik had het wel degelijk goed gehoord. Ik zal proberen uit te leggen waarom ik deze actie jammer vindt. 

Volgens Foodwatch eten en drinken Nederlandse kinderen steeds ongezonder en worden ze steeds zwaarder door te zoete, te zoute en te vette producten. Marketing zou alleen ingezet mogen worden voor gezonde producten. De directeur van Foodwatch, Bart van Opzeeland,  maakt zich zorgen over de consequenties, want die raken ons allemaal. En wel via de stijgende zorgkosten voor diegenen die van dat ongezonde voedsel hart- en vaatziekten, diabetes en kanker ontwikkelen, aldus diezelfde directeur.

En daar begrijp ik nu helemaal niks van. Ik heb hier toch een aantal vragen bij. Wat doet die rommel eigenlijk in onze supermarkten? Waarom wordt het niet verboden om ons voedsel zo zoet, vet en zout te maken? Wat schieten we ermee op als we de marketing aanpakken en de ongezonde producten nog steeds verkrijgbaar zijn? Of denkt de heer Van Opzeeland dat de jeugdige consumenten en hun ouders ineens andere keuzes gaan maken en vergeten hoe lekker en goedkoop ze de producten vinden die ze altijd al kochten? Zou het hier niet een beetje mankeren aan de moraal van de levensmiddelenbranche? Maar bovenal: waarom begint de heer Van Opzeeland over de kosten, terwijl het door de genoemde ziektes veroorzaakte leed voor kinderen en hun ouders niet is te overzien? 

Natuurlijk ben ik een voorstander van gezonde voeding voor kinderen. Ik wil best een burgerinitiatief als dat van Foodwatch ondersteunen, maar mag de insteek dan iets anders worden? Voedselproducenten hebben namelijk geen boodschap aan het uit de schappen halen van junkfood, noch aan een andere marketingaanpak. Wie rommel wil verkopen, moet ook voor de consequenties opdraaien. Van mij mag dat streng aangepakt worden met boetes en hoge belastingen. Tenslotte mogen we ook niet zomaar het milieu vervuilen, dus ook op ‘fout’ voedsel zou een boete mogen staan. En als die boetes aan scholen uitbetaald zouden worden, dan hoeven zij geen frisdrankautomaten neer te zetten, omdat de subsidie te kort schiet… Het is toch eigenlijk te gek voor woorden wat hier gebeurt? 

Totdat hier op wordt ingegrepen zou ik ouders willen adviseren om eens goed op de etiketjes van voedsel en frisdrank te lezen wat het product nu eigenlijk aan vet, zout en zoetigheid bevat. Verdiept u zich eens een klein beetje in het verschil tussen goede en slechte vetten. U zult verstelt staan wat er met ons voedsel wordt gerommeld als u eens een vergelijking maakt met de gezondere varianten. Door bewustere keuzes te maken bespaart u uw kinderen en uzelf een heleboel leed… En die gezonde keuzemogelijkheden zijn hier in het Westland volop aanwezig. En duidelijk, dat zijn die Westlandse producten ook. Een paprika is een paprika, een tomaat is een tomaat, een appel is een appel en een komkommer is een komkommer etcetera. Daar hebben we geen voedseletiketjes voor nodig die ons al of niet van de juiste informatie voorzien. Ik ben tenminste nog geen gemalen agrariër in de boerenkool tegengekomen.

zondag 10 maart 2013

Je bent wat je eet

Bovenstaande titel heb ik ontleend aan een boek van de Britse Dr. Gillian McKeith. Zij schreef ooit een boek over gezond eten en dat eten bestond volgens haar uit zoveel mogelijk (rauwe) groenten en fruit, zaden en noten, peulvruchten en granen, enfin een scala aan voedingsmiddelen die een geweldig effect op het lichaamsgewicht en de conditie zouden hebben. In een TV-programma pakte ze mensen met overgewicht in hun nekvel en toonde hen wat ze gedurende een hele week aan troep in hun lichaam hadden gepropt. Een uiterst onsmakelijk onderzoek naar de ontlasting van de slachtoffers en voorgespiegelde schimmelinfecties lieten de deelnemers aan het programma zodanig schrikken dat ze acuut overstapten op het dieet van Dr. McKeith. Ook werden ze aan een sportprogramma onderworpen. Dat viel hen niet mee, maar de resultaten waren groots. Mensen voelden zich fitter en vielen vele kilo’s af. Niks mis mee, zou ik zeggen.  Behalve dan, dat half Nederland zich op de bank zat te vergapen aan de deelnemers, waarschijnlijk ondertussen zoete frisdrank of alcohol drinkend met het welbekende zakje chips voor het grijpen. We vonden het allemaal reuzeleuk. Totdat in het nieuws berichten verschenen over ene Tom Watkins die van zijn moeder alleen maar rauw voedsel kreeg. Tom zou een groeiachterstand hebben opgelopen.

De gesprekken in mijn omgeving gingen vaak over deze ‘ontaarde’ moeder. Van ‘dat arme kind moet uit huis geplaatst worden’ tot en met ‘zo’n gestoorde vrouw zou geen moeder mogen zijn’. Men volgde het nieuws op de voet, waarschijnlijk met dezelfde versnaperingen onder handbereik als eerder omschreven. De amusementswaarde was kennelijk niet voldoende om het dieet nog populair te mogen noemen. 

Ik heb echter een paar onbeantwoorde vragen, die ervoor zorgen dat ik niet zomaar een oordeel uitspreek over de moeder van Tom. Want wat is nu ondergewicht? Is dat het gemiddelde van het gewicht van de Nederlander, waarvan bekend is dat 41% te zwaar is? Is daar de jaarlijkse toename van het overgewicht in meegenomen? Oftewel: zou het kunnen dat ons idee van ‘gemiddeld gewicht’ inmiddels ook al een tikkeltje aan de zware kant is?

Natuurlijk zijn wij allang niet meer gewend aan een natuurlijke voeding zonder allerlei toevoegingen, maar daarmee is niet gezegd dat we nu zelf zo gezond eten. Wie ooit Aziatische landen heeft bezocht waar voldoende voedsel is voor de bevolking en ziet dat men daar superslank is, terwijl er flink gegeten wordt van de onbewerkte natuurproducten, zal het met me eens zijn dat we daar in Nederland een voorbeeld aan zouden kunnen nemen. Maar daar wilde ik het nu niet over hebben, ik wil even terugkomen op de titel ‘Je bent wat je eet’. 

Hoe moeten we zo’n titel nu opvatten, luidt één van mijn vragen. Het oude mopje ‘slager heeft u varkenspootjes?’ ‘Nee, mevrouw zo loop ik al jaren’, zal toch geen graadmeter zijn voor de mans eetgewoonten, noch die van de bakker die bokkenpootjes verkoopt? En u weet het maar nooit met dat voedsel van ons. U leest op een etiketje dat u product A koopt en zonder dat u het weet zit u product B te eten, omdat dat de producent beter uitkwam. Persoonlijk heb ik altijd gedacht dat ik geen konijn heb gegeten, omdat ik daar wat tedere huisdiergevoelens voor koesterde. U wilt uw hond toch ook niet op een bord geserveerd krijgen tijdens de kerstdagen? Voor u het weet loopt u te snuffelen of te blaffen, als de titel van het boek waar zou zijn. En nu ik er nog eens over nadenk… ik ken heel wat pubers in mijn omgeving die lopen te grinniken en hinniken. Zouden zij soms… Nee het zal toch niet? Zouden zij stiekem geproefd hebben van de inmiddels beruchte lasagne met ‘rundvlees’, dat bij nader inzien was voorzien van snippers paardenvlees? Als dat zo is, dan kunnen we nog wat hoogspring talenten á la Salinero tegemoet zien in ons kikkerlandje! 

Of vindt u dat mijn redenatie onzin is? Dat ik kakel als een kip zonder kop? Tja, nu ik erover nadenk… het zou best kunnen. Gisteren heb ik namelijk met smaak een gegrild kippetje verorberd. Mét een portie rauwkost erbij. Dat mag als je volwassen bent en je maakt je eigen keuzes… Een lekker bordje ‘Westlands groenvoer’. Niks mis mee. Of zou ik daardoor in de bonen zijn? Als dat zo is, dan hoop ik dat het Westlandse kasboontjes zijn! En mocht u binnenkort een vrouw met bloemkooloren tegenkomen, dan ben ik dat misschien wel! De eerste kasbloemkooltjes zijn alweer te koop. Heerlijk! Onlangs stond ik nog een BH te passen en meende ik de verkoopster iets over fruit te horen zeggen… Nee, verder ga ik niet. Laat mij maar zijn, wat ik eet. Ook al snap ik geen biet meer van al die etiketjes die we op mensen en voedsel plakken…

maandag 18 februari 2013

Vrouwtje


Nog steeds kan ik me er over verbazen hoe ongeëmancipeerd ons taalgebruik is. Zo ook in het Westland. Hoe vaak ik mannen nog hoor praten over een ‘vrouwtje’, is ongelooflijk. En daar bedoelen ze dan niet liefkozend een vrouw met een tenger postuur mee, nee, ik zal het aan de hand van een voorbeeld proberen duidelijk te maken. 

‘Een tijd geleden heb ik een aardig toespraakje gehoord van een Westlands vrouwtje,’ vertelde een man tijdens een netwerk bijeenkomst. Ik zal zijn naam hier niet noemen. Mijn oren stonden gespitst en de eerste waakzaamheid ontstond al door het gebruik van het woord ‘vrouwtje’. ‘Dat wijffie had best wel leuke ideetjes over duurzaamheid en technologie. Leek me een pittig mokkeltje en ze schijnt een leuk bedrijffie te hebben,’ zei hij.

Ik werd nu toch wel benieuwd over wie het hier ging en stelde die vraag. De man moest er diep over nadenken, de naam had kennelijk geen indruk gemaakt, maar na wat denkrimpels kwam die toch bovendrijven. ‘Meini, heette ze volgens mij,’ antwoordde de man. ‘Meini Priva, of zoiets.’

Een onderneemster in het groepje rechtte plotseling haar rug. Kennelijk voelde ze dezelfde jeuk opkomen als ik. ‘U bedoelt Meini Prins van Priva?’ vroeg ze hem. Ja, die bedoelde hij. ‘Leuk mokkeltje. Niet op haar blonde achterhooffie gevallen.’

De jeuk leek nu een adrenaline veroorzakende kramp te veroorzaken. De onderneemster in kwestie kon zich niet goed meer inhouden. Een boosaardige twinkeling verscheen in haar ogen.
‘Ik begrijp het al,’ antwoordde ze, terwijl ze googlede op haar smartphone. Ze vond al snel wat ze zocht en las voor: ‘U heeft naar een lezing van Meini Prins geluisterd. Directeur van de Priva. Een Westlands bedrijf, fabrikant van procescomputers voor klimaatbeheersing en procesbeheer. Heeft 420 medewerkers in dienst, levert producten en diensten op het gebied van klimaat, water en energie, heeft negen vestigingen wereldwijd en verkoopt systemen in meer dan honderd landen, investeert zo’n 25% van de omzet in productontwikkeling en innovatie en behoort tot de top 30 van R&D bedrijven in Nederland, wereldmarktleider in de tuinbouw en toonaangevend op het gebied van gebouwautomatisering.’
Nu was het de onderneemster die kennelijk wat irritatie veroorzaakte. ‘Ja die, én?’ vroeg de man knorrig.
‘U noemt haar een “vróuwtje”? “Wijffie”? “Een “mókkeltje” met een leuk “bedrijffie”? Een vrouw die zich in 2009 Zakenvrouw van het jaar mocht noemen? Vindt u dat niet een beetje denigrerend klinken?’
Hij begreep er geen snars van. Wel vond ie dat ze zich opstelde als een Kenau, een soort manwijf die de soort verdedigde. Een Pavlovreactie die ik wel vaker bij mannen waarneem, wanneer een vrouw naar hun idee haar op de tanden heeft. 
‘En wat voor bedrijfje heeft u, meneer?’ vroeg ze hem met een vals glimlachje. Ik was wat verbaasd over haar felheid. Tenslotte bevonden we ons op een netwerkbijeenkomst. Daar gaat het er toch in eerste instantie om goede relaties aan te knopen met mogelijke opdrachtgevers of de band te versterken met bestaande klanten. En haar optreden stond daar in dit principiële geval toch wel wat haaks op. Verbluft keek hij haar aan, alsof hij nu pas begreep wat er werd bedoeld. Ik genoot stilletjes van wat zich hier afspeelde. Was het in mijn hart helemaal met haar eens. De onderneemster besloot niet op zijn antwoord te wachten. ‘Dat was een koekje van eigen deeg,’ mompelde ze, terwijl ze zich naar een ander groepje ondernemers begaf. ‘Een zelfgebakken koekje. Geheel in stijl gefabriceerd achter wat sommige mannen nog steeds beschouwen als “het enige recht van de vrouw”, het aanrecht…’
Ben benieuwd of Meini Prins, toponderneemster en tot ver buiten onze streek gekend en erkend als boegbeeld van Westland,  daar wel eens tijd voor vrijmaakt als ze ‘s avonds de deur van haar ‘bedrijffie’ achter zich sluit.

maandag 11 februari 2013

Met melk meer konings

Het bericht over het aftreden van Koningin Beatrix viel niet echt rauw op mijn dak. Het is bewonderenswaardig om door te werken tot je 75e jaar en ik neem daar mijn burgerlijke petje voor af. Of Hare Majesteit op haar beurt haar kroontje afneemt voor mensen waar ze bewondering voor heeft, denk ik niet, maar zij heeft daar ongetwijfeld een ruime Koninklijke Woordenschat voor paraat, die recht zal doen aan haar gevoelens.

Op 30 april a.s. draagt ze haar taken over aan haar zoon Prins Willem-Alexander. Dat zal een gedenkwaardige dag worden voor velen. Ik herinner me nog dat onze kroonprins werd geboren. Ik was 8 jaar en ik ontving ter gelegenheid van deze feestelijke gebeurtenis een herinneringsbeker. Ik geloof niet dat ik die nog in mijn bezit heb. De beker had de vorm van een melkbeker en ik gruwde van melk. Leeftijdsgenoten zullen zich vast nog wel Joris Driepinter herinneren. Een irritant mannetje dat in de jaren ‘60 en ‘70 werd gebruikt om in reclamecampagnes de jeugd te bewegen tot het drinken van melk. ‘Met melk meer mans’ luidde de reclameslogan. Drie glazen per dag en dan kreeg je een kruisje op een kaart. Als die kaart vol was, mocht je ‘m opsturen en dan ontving je een soort badge die op je kleding genaaid kon worden. Daar heb ik lang over gedaan. In plaats van de beloofde sterke krachtstaaltjes die het nuttigen van zuivel zouden veroorzaken (jawel, Joris Driepinter kon zelfs een olifant optillen!), werd ik er kotsmisselijk van. In die tijd was het begrip ‘lactose-intolerantie’ nog niet bekend, maar daar zal ik niet ver vanaf gezeten hebben. Voor mij was het geen straf dat die koninklijke melkbeker ergens achterin een kast verdween. Nu zou ik ‘m echter toch nog wel eens willen zien, gewoon uit nostalgische overwegingen. De geboorte van Prins Willem-Alexander was er de oorzaak van dat ik een serie tekeningen van kastelen produceerde, met heuse kantelen, spannende torens en vrolijke vlaggen in top. Het was een feestelijke gebeurtenis.

Kleine kinderen worden groot. Prins Willem-Alexander wordt binnenkort Koning Willem-Alexander. En ik heb minder moeite met zuivelproducten, hoewel het product ‘melk’ nog steeds niet zomaar in mijn dagelijkse menu zal voorkomen. De weerzin is diep geworteld. 

Ook de inhuldiging van Koningin Beatrix staat me nog in het geheugen gegrift. De, naar mijn mening, schandalige vertoning van demonstrerende krakers die de plechtigheid en feestelijkheden verstoorden, zullen zich in 2013 hopelijk niet herhalen. Ook nu leven we in een moeilijke tijd die we de leden van het Koningshuis niet persoonlijk kunnen verwijten. Ik hoop van harte dat het een grandioos feest zal worden. Een feest dat de economie een impuls zal geven. Het Oranje Comité heeft al plannen, las ik in één van onze kranten. Het wordt anders dan Koninginnedag, men wil ‘iets met muziek’. Tja, gezien de zich steeds herhalende festiviteiten de laatste jaren, moet het niet moeilijk zijn om er iets anders van te maken. De kinderkermisjes heb ik nu wel gezien, van mij mag het wel wat grootser. Ik zie het al voor me. Grote optochten van de Westlandse schooljeugd, geflankeerd door een rijdend corso (ter afwisseling van het Varend Corso). Muziekspektakels á la trance, hardcore en andere stijlen waarbij de iets oudere jeugd ff lekker uit z’n dak kan gaan. Versierde straten en overal gezellige eetgelegenheden en bars die Oranjebittertjes uitdelen. Goochelaars en acteurs die het publiek op iedere straathoek vermaken. Lichtshows, ballonnen oplaten en een grandioos vuurwerk tot slot. En natúúrlijk een mooie herinnering aan deze feestelijke dag voor iedereen. Ik herinner me het succes van de hanging baskets die ooit werden uitgereikt. (Zorg ik zelf wel voor de plantjes). Snoeptomaatjes voor de jeugd in een doosje met koninklijk embleem dat ze daarna kunnen gebruiken om gezonde hapjes mee naar school te nemen. Een DVD’tje met de geschiedenis van ons Koningshuis. Een mooi gegraveerd glas of een boek over de inhuldiging voor de oudsten onder ons. Ideeën genoeg die een historische herinnering markeren en tevens de economie stimuleren. Als we in Nederland 3,7 miljard in het opruimen van het achtergelaten puin van slecht functionerende bankmanagers kunnen pompen, dan kunnen we ook onszelf wel iets leuks toezeggen, toch? Zolang het geen melkbeker wordt, zal u mij niet horen klagen. De slogan ‘Met melk meer konings’ gaat er bij mij niet in.

IJspret (3)

Hoewel ik, zoals u de afgelopen weken heeft kunnen lezen, dol ben op de winter, sneeuw en ijs, zult u mij nooit bij grote schaatsevenementen aantreffen. Persoonlijk bind ik de schaatsen niet meer onder en ik voel er niets voor om in een grote menigte aan de kant te gaan staan, terwijl ik alles op de TV veel beter kan volgen. ‘De beleving’ hoef ik niet mee te maken, want in zo’n grote menigte op een ijsmassa gaan staan is volgens mij vragen om moeilijkheden en dat beleef ik liever niet. Voor mij is het dan ook onbegrijpelijk dat grote mensenmassa’s zich naar dit soort evenementen begeven. De veiligheid is niet meer te waarborgen en dat zou wel eens een reden kunnen zijn van het niet (meer) kunnen organiseren van bijvoorbeeld een Elfstedentocht. Geweldig jammer, want deze tocht behoort toch tot een waardevolle Nederlandse traditie. Als mensen beseften dat ze de doorgang daarvan zelf in de weg staan, dan zouden we er wellicht ooit nog eens van kunnen genieten. 

Nee, ik vind het veel leuker om lekker in mijn eentje in de sneeuw te gaan wandelen. Om als eerste voetstappen te zetten in de sneeuw en een laagje verse vlokken over de stappen heen te zien vallen. Ze hoeven van mij niet te blijven staan, die voetstappen. Daar zit geen filosofische gedachte achter, ik vind dat gewoon leuk en weet zelf niet waarom. De sporen van vogeltjes vind ik ook fascinerend. Kleine vogelpootjes die hun afdrukken achterlaten in de sneeuw vertederen mij. Ik besef dan dat ze moeilijker voedsel kunnen vinden en zo vergeet ik niet om vetbolletjes voor hen op te hangen. Daar wordt flink van gesnoept en ook dat is heel leuk om te zien. 

Maar wat ik nóg leuker vind, is het contact dat opeens ontstaat met voorbijgangers die je anders nooit spreekt. Wie voorzichtig door de sneeuw gaat wandelen, kan ineens rekenen op vele groeten. Mensen zeggen vrolijk ‘goedemiddag’ en glimlachen erbij. Alsof ze zich verontschuldigen voor het licht stuntelige geschuifel dat ze vertonen om zich staande te houden in het gladde goedje. Menig keer wordt dit gevolgd door een ‘Glad hè?’ In mijn ogen een volslagen overbodige opmerking, maar goed, ik knik dan altijd glimlachend terug. Een paar dagen later kun je zien dat er al naarstig is gewerkt aan het schoonmaken van de trottoirs. Niet overal is het schoon, plotseling stopt dat bij een woning, waardoor je als wandelaar de rijweg op moet om de inmiddels platgetrapte ijsachtige sneeuwlaag te ontwijken. De straat waarin ik woon mag zich gelukkig prijzen met buren die naar elkaar omkijken. Wie kan vegen, veegt ook het straatje van buren die dat om bepaalde redenen niet (meer) kunnen. Of er in de straten waar schoongeveegde paden abrupt stoppen op de grens van het tuinhek burenruzies zijn, weet ik niet, maar ik heb daar zo mijn fantasieën bij… 

Het is echter voorbij met de ijspret, althans voorlopig. Afgelopen zondag ging het regenen en dooien. De sneeuw smolt snel weg. ’s Morgens was het bitter koud, wind en regen teisterden de mensen die zich nog op straat durfden begeven. Niemand zei gedag. Geen verontschuldigende glimlachjes. Met de smeltende sneeuw verdwenen ook de vriendelijkheid en het sociale gedrag. Diep weggedoken in regenjassen, met paraplu’s in de aanslag snelden we elkaar voorbij, elkaar nog net niet vast rijgend aan de vervaarlijk vooruitgestoken paraplupunten. ‘Laat het nu maar voorjaar worden ook,’ dacht ik. ‘Kunnen we weer een praatje aanknopen over het heerlijke voorjaarszonnetje. Of over de onverwachte hitte. Ja, zeker weten, laat het maar snel lekker lente worden. En daarna zomer. Dan kan ik, lui liggend in de schaduw op mijn relaxte tuinstoel, dromen van sfeervolle kerstbomen en sneeuwwitte landschappen…’